ECLI:NL:RBGEL:2025:11790

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
05/005531-23
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 41 SrArt. 141 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling openlijke geweldpleging in voetbalstadion met taakstraf

Op 10 september 2022 vond in het Goffertstadion te Nijmegen een vechtpartij plaats waarbij verdachte samen met medeverdachten meerdere personen heeft aangevallen. Hierbij liepen drie slachtoffers hersenschuddingen en andere verwondingen op. Verdachte en zijn medeverdachten hadden afgesproken verhaal te halen nadat er bier werd gegooid, waarna zij gezamenlijk geweld pleegden.

De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in vereniging openlijk geweld heeft gepleegd tegen de slachtoffers. De verdediging voerde noodweer en noodweerexces aan, maar dit werd verworpen omdat het geweld aanvallend en niet verdedigend was en er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de maatschappelijke impact van voetbalgeweld en de overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte kreeg een taakstraf van 120 uren opgelegd, met vervangende hechtenis van 60 dagen bij niet-naleving. De civiele schadevorderingen van de slachtoffers werden niet-ontvankelijk verklaard omdat deze al in een andere strafzaak waren toegewezen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren wegens openlijke geweldpleging in vereniging in een voetbalstadion.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats: Arnhem
Parketnummer: 05/005531-23
Datum uitspraak : 27 november 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats],
wonende aan het [adres], [postcode] te [woonplaats].
Raadsman: mr. Y. ten Tuijnte, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 10 september 2022 te Nijmegen openlijk, te weten, in het Goffertstadion op/aan het Stadionplein 1, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon en/of een goed te weten [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], door:
- een of meermaals in/op/tegen het hoofd/gezicht van [slachtoffer 1] te slaan/stompen en/of ten
gevolge waarvan [slachtoffer 1] ten val kwam,
- een of meermaals op het lichaam en/of in de richting van [slachtoffer 1] te schoppen/trappen,
- een of meermaals tegen het hoofd en/of in de richting van [slachtoffer 2] te schoppen/trappen en/of ten gevolge waarvan [slachtoffer 2] ten val kwam,
- een of meermaals tegen het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer 3] te schoppen/trappen,
- een of meermaals [slachtoffer 3] te duwen, ten gevolge waarvan [slachtoffer 3] ten val kwam,
- een of meermaals [slachtoffer 3] bij het hoofd en/of het lichaam te pakken/grijpen en/of
(vervolgens) tegen het stalen hek te slaan/duwen,
- een of meermaals in/op/tegen het hoofd/gezicht van [slachtoffer 3] te slaan/stompen en/of
- [slachtoffer 3] bij/om de keel te pakken.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 10 september 2022 zijn aangevers [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] aanwezig bij een voetbalwedstrijd in het Goffertstadion aan het Stadionplein 1 te Nijmegen. [2] Verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en diens zoon [medeverdachte 3] zijn hierbij ook aanwezig. [3] Nadat er bier wordt gegooid lopen verdachte en andere supporters de tribune op en komen zij aangevers tegen. [4] Er ontstaat een vechtpartij waarbij aangever [slachtoffer 1] een hersenschudding heeft opgelopen [5] en waarbij een stuk van zijn beide bovenste voortanden is afgebroken. [6] Aangever [slachtoffer 2] heeft bij deze vechtpartij ook een hersenschudding opgelopen. [7]
Verdachte heeft meerdere malen tegen het lichaam van aangever [slachtoffer 3] getrapt.
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft aangever [slachtoffer 1] tegen zijn hoofd geslagen waardoor hij ten val is gekomen. [8] Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft aangever [slachtoffer 3] bij zijn keel gepakt [9] en hem geduwd waardoor hij ten val is gekomen. [10] [medeverdachte 3] heeft richting het lichaam van aangever [slachtoffer 1] getrapt. [11] Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft tegen het hoofd van aangever [slachtoffer 2] geschopt ten gevolge waarvan aangever [slachtoffer 2] ten val kwam. [12]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor de geweldshandelingen beschreven onder het gedachtestreepje:
“- een of meermaals [slachtoffer 3] bij het hoofd en/of het lichaam te pakken/grijpen en/of (vervolgens) tegen het stalen hek te slaan/duwen,”. Uit de beelden kan niet worden vastgesteld dat deze geweldshandelingen plaatsvonden en verdachte ontkent deze handelingen te hebben verricht.
Beoordeling door de rechtbank
Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat er een groep voetbalsupporters naar boven liep en hem en zijn neef – [slachtoffer 2] – omcirkelde. [13] Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat er 3 mannen voor hem stonden. Hij zag dat de mannen erg opgefokt waren. [14] Aangever [slachtoffer 3] heeft verklaard dat er 6 tot 8 mannen omhoog klommen op de tribune. De mannen waren heel erg opgefokt. [15]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat er 5 tot 6 mannen naar boven kwamen gelopen en wezen naar aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. [16]
[medeverdachte 3], de zoon van medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zijn vader en diens vriendengroep hadden afgesproken verhaal te halen wanneer er wederom bier zou worden gegooid. Nadat er tijdens de desbetreffende wedstrijd bier werd gegooid zijn zij met een stuk of 10 man naar boven gelopen en verhaal gaan halen. [17]
Verdachte heeft verklaard dat hij naar boven is gelopen om de menigte aan te spreken. [18]
De cameraspecialist heeft beschreven dat NN3 richting de bovenkant van de tribune liep. Er liepen een vijftiental personen om hem heen mee richting de bovenkant van de tribune. [19]
[slachtoffer 3] tegen hek geduwd
Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte aangever [slachtoffer 3] niet heeft vastgepakt en tegen het hek heeft aangeduwd omdat dit niet uit de beelden volgt. De rechtbank stelt voorop dat zij geen reden heeft te twijfelen aan de beschrijvingen van camerabeeldspecialist. De deskundigheid van de specialist is eveneens niet betwist. In de beschrijving van de beelden staat: “
lk zag dat NN 3 met zijn handen SLO 3 vast hield en hem met kracht twee keer tegen het metalen hek aan duwde.. [20] en “
00:00:55 uur: Ik zag dat NN 3 met zijn linkerhand het hoofd van SLO 3 vast bleef houden, zijn rechterarm naar achteren bracht en vervolgens met zijn rechterhand SLO 3 ofwel in zijn gezicht sloeg of zijn hoofd hard tegen het hek duwde. ik zag dat het lichaam van SLO 3 door de klap/duw tegen het hek aan kwam en dat zijn hoofd tegen de bovenste buis van het hek sloeg. (Zie still 26 ) lk zag dat NN 3 ondertussen zijn linkerhand van het hoofd van SLO 3 haalde. ik zag dat NN 3 vervolgens zijn rechterarm weer naar achteren bracht en SLO 3 met beide handen tegen het hek wierp. ik zag dat SLO 3 wederom met zijn hoofd tegen de bovenste buis van het hek kwam.”. [21]
Verdachte is herkend als NN3 [22] en SLO3 is herkend als aangever [slachtoffer 3]. [23] De geweldshandelingen zijn duidelijk en specifiek beschreven, waardoor de rechtbank deze geweldshandelingen wettig en overtuigen bewezen acht.
In vereniging
De rechtbank staat voor de vraag of de geweldshandelingen door verdachte en zijn medeverdachten in vereniging zijn gepleegd. Hierbij is van belang dat zij nauw en bewust hebben samengewerkt en dat verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het gepleegde geweld en opzet heeft gehad op de door de groep gepleegde geweldshandelingen.
Uit de beelden blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten zich gezamenlijk als een groep naar de bovenzijde van de tribune hebben bewogen. Uit de verklaring van de zoon van medeverdachte [medeverdachte 2] volgt dat de vriendengroep van verdachte had afgesproken verhaal te halen indien er wederom bier zou worden gegooid. In de verklaringen van de aangevers en een getuige wordt eveneens gesproken van een groep mannen die gezamenlijk om aangevers heen stonden. Er zijn door verschillende leden van deze groep, zijnde verdachte, zijn medeverdachten en één of meer andere personen, geweldshandelingen gepleegd richting verschillende aangevers. Dit geeft eveneens blijk van een gezamenlijke actie. Gelet op de beelden alsmede het afspreken verhaal te halen, kan het niet anders zijn dan dat verdachte zich bewust was van en opzet had op de geweldshandelingen die de groep pleegde. Daaruit volgt dus dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte en de overige geweldplegers hebben met hun geweldshandelingen allen een significante en wezenlijke bijdrage gehad aan het openlijk geweld.
De rechtbank acht het daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks10 september 2022 te Nijmegen openlijk, te weten, in het Goffertstadion
op/aan het Stadionplein 1,
in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
personenen/of een goedte weten [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en
/of[slachtoffer 3], door:
-
een of meermaalsin
/op/tegenhet
hoofd/gezicht van [slachtoffer 1] te slaan
/stompen en/often
gevolge waarvan [slachtoffer 1] ten val kwam,
-
een of meermaals op het lichaam en/ofin de richting van [slachtoffer 1] te schoppen/trappen,
-
een of meermaalstegen het hoofd
en/of in de richtingvan [slachtoffer 2] te schoppen/trappen
en/often gevolge waarvan [slachtoffer 2] ten val kwam,
-
een ofmeermaals tegen het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer 3] te schoppen/trappen,
-
een ofmeermaals [slachtoffer 3] te duwen, ten gevolge waarvan [slachtoffer 3] ten val kwam,
-
een ofmeermaals [slachtoffer 3] bij het hoofd en/of het lichaam te pakken/grijpen en
/of
(vervolgens
)tegen het stalen hek te slaan/duwen,
-
een of meermaals in/op/tegen het hoofd/gezicht van [slachtoffer 3] te slaan/stompenen
/of
- [slachtoffer 3] bij/om de keel te pakken.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

5.De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van medeverdachte [medeverdachte 2] en diens zoon door aangever(s). Er was dus sprake van een noodweersituatie. Verdachte schoot zijn vrienden te hulp en hoefde zich daardoor niet te onttrekken aan de situatie. Immers, het is een morele plicht om vrienden te hulp te schieten. Toen het gevaar was geweken is verdachte weggegaan. Zijn verdediging was dan ook proportioneel, omdat een minder zwaar middel niet mogelijk was. Het was immers een handgevecht. Tot slot is er geen sprake van culpa in causa omdat verdachte en zijn medeverdachten slechts anderen wilden aanspreken op het gooien van bier.
De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte een succesvol beroep kan doen op noodweerexces. Bij verdachte werd het zwart voor zijn ogen toen zijn vriend en diens zoon werden aangevallen. De gemoedsbeweging bestond daarbij uit een combinatie van verantwoordelijkheidsgevoel en boosheid, met name angst en vrees wat er met zijn vrienden zou gebeuren.
De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, geen beroep op noodweer dan wel noodweerexces rechtvaardigen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank neemt aan dat verdachte en zijn medeverdachten gezamenlijk met anderen naar de bovenzijde van het tribune zijn gelopen om verhaal te halen nadat er met bier werd gegooid. Medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben verklaard ontevreden te zijn geweest over het gebrek aan optreden vanuit de zijde van NEC tegen de ‘biergooiers’. Hierdoor waren zij, naar eigen zeggen, genoodzaakt dit probleem zelfstandig op te lossen. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft aangever [slachtoffer 3] bij de keel gegrepen, waarmee het openlijk geweld startte. Verdachte en medeverdachten hebben zich toen niet onthouden van het plegen van geweldshandelingen, niet getracht dit te doen stoppen en zich niet gedistantieerd van het geweld. De geweldshandelingen van verdachte waren niet verdedigend, maar naar de kern aanvallend. Dit volgt ook uit de aard van het door hem uitgevoerde geweld zoals het trappen naar aangever [slachtoffer 3] en het aangever [slachtoffer 3] met zijn hoofd tegen een metalen buis aan slaan.
Het is daarbij niet aannemelijk geworden dat de gedragingen van aangever [slachtoffer 3] kunnen worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van medeverdachte [medeverdachte 2] of diens zoon (of enig ander) die verdedigend handelen van verdachte gebood of dat verdachte daarvan mocht uitgaan. Dit blijkt niet uit de beelden en noch medeverdachte [medeverdachte 2] noch diens zoon hebben verklaard over een noodsituatie waartegen zij zich moesten verweren, waarbij hulp geboden was en/of waarbij verdachte hen te hulp moest schieten.
Omdat de rechtbank het niet aannemelijk acht dat er op enig moment sprake was van een noodweersituatie kan een beroep op noodweerexces eveneens niet slagen.
Het verweer wordt verworpen.
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uur te vervangen door een hechtenis van 75 dagen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte al is gestraft vanwege een stadionverbod van één jaar. Verder heeft de zaak erg lang geduurd en is er sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast heeft de verdediging mediation voorgesteld. De raadsman verzoekt vanwege de persoonlijke omstandigheden, de rol van aangevers en het tijdsverloop een geldboete op te leggen met eventueel een voorwaardelijke of beperkte onvoorwaardelijke taakstraf.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank houdt bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd rekening met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank de landelijke oriëntatiepunten en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij rekening wordt gehouden met het strafblad van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft openlijk geweld gepleegd in een voetbalstadion. Verdachte is gezamenlijk met een groep supporters verhaal gaan halen nadat er bier werd gegooid. Hierbij heeft verdachte het recht in eigen handen genomen. Bij dit geweld zijn drie personen gewond geraakt van wie uit niets is gebleken dat zij te maken hadden met het gooien van bier. Op de beelden is te zien dat er ook kinderen zich tussen het publiek bevonden. Een voetbalstadion is bij uitstek een plek waar mensen voor hun plezier en ontspanning heen gaan. Het is een ruimte waar men niet zomaar weg kan. Dit draagt bij aan een onveilig gevoel.
Rellen, geweld en vandalisme bij voetbalwedstrijden komen geregeld voor en dit is een
groot en ernstig maatschappelijk probleem. Het raakt direct de openbare orde en de veiligheid van de bezoekers en omwonenden. In verband met dreigend voetbalvandalisme en geweld in stadions zijn omvangrijke veiligheidsmaatregelen noodzakelijk, die een enorme kostenpost opleveren voor de maatschappij. Het creëert niet alleen een groot gevoel van onveiligheid, onrust en angst in de maatschappij maar ook gevoelens van woede en verontwaardiging. Verdachte heeft hier een bijdrage aan geleverd. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. De redelijke termijn is aangevangen bij het eerste verhoor van verdachte, te weten 19 december 2022. De zaak had aldus voor 19 december 2024 behandeld moeten worden. Omdat dit niet is gebeurd is daarmee de redelijke termijn in aanzienlijke mate, te weten met ongeveer 11 maanden, overschreden.
De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de hierna te vermelden op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
De straf
De rechtbank acht, alles afwegende, in beginsel een taakstraf voor de duur van 180 uren, passend en geboden, maar gelet op het tijdsverloop sinds de gebeurtenissen, waarbinnen verdachte onder meer een tijdelijk een stadionverbod heeft ondergaan en waarin geen nieuwe incidenten hebben plaatsgevonden, gaat de rechtbank uit van een taakstraf voor de duur van 140 uren. Daarnaast zal de rechtbank de straf, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, matigen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, met dien verstande dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.

8.De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 28,00 aan materiële schade en € 750,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 377,08 aan materiële schade en € 1.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat een deel van de vorderingen reeds is toegewezen door de kinderrechter in de zaak tegen een medeverdachte. Voor het overige deel van de vorderingen kunnen de benadeelden naar de burgerlijke rechter stappen.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard gelet op het bepleite beroep op noodweer(exces). Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen dienen te worden afgewezen omdat de vorderingen al bijna geheel zijn toegewezen en inmiddels ook al zijn betaald.
Overweging van de rechtbank
De vorderingen van de benadeelde partijen zijn in een andere strafzaak reeds (gedeeltelijk) toegekend. Ter terechtzitting is door de verdediging onderbouwd met stukken aangevoerd dat deze vorderingen al zijn voldaan en dat er verder geen schade meer resteert. De beoordeling van dit verweer levert een onevenredige belasting van het strafproces op. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen verklaren. De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op
een taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.S.M. van Bergen (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. A.J.H. Steenweg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Breed, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 november 2025.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2022448544, gesloten op 3 januari 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2], p. 151
3.Proces-verbaal van bevindingen p. 134-136.
4.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 13 november 2025. Beeldverslag cameraspecialist, p. 70. Proces-verbaal van bevindingen p. 142 -144 . Proces-verbaal van bevindingen p. 150.
5.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1], p. 19.
6.Tandheelkundige verklaring na ongeval, p. 22.
7.Medisch overzicht huisarts [slachtoffer 2], p. 157.
8.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 13 november 2025.
9.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2], p. 191 en proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3], p. 160.
10.Beeldverslag cameraspecialist, p. 32; proces-verbaal van bevindingen p. 142 -144 en proces-verbaal van bevindingen p. 150.
11.Beeldverslag cameraspecialist, p. 97; proces-verbaal van bevindingen p. 142 -144 en proces-verbaal van bevindingen p. 150.
12.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2], p. 151, beeldverslag cameraspecialist, p. 30; proces-verbaal van bevindingen p. 142 -144 en proces-verbaal van bevindingen p. 150.
13.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1], p. 18.
14.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2], p. 151.
15.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3], p. 160.
16.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 171.
17.Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte, p. 240.
18.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 13 november 2025.
19.Beeldverslag cameraspecialist, p. 70.
20.Beeldverslag cameraspecialist, p. 71.
21.Beeldverslag cameraspecialist, p. 73.
22.Proces-verbaal van bevindingen, p. 143.
23.Proces-verbaal van bevindingen, p. 150.