ECLI:NL:RBGEL:2025:11898

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
05/270940-24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 5a WVWArt. 175 WVWArt. 179 WVWArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor roekeloos rijden met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg

Op 2 februari 2024 veroorzaakte verdachte een ernstig verkeersongeval op de Mert te Herwijnen door met een Volkswagen Golf met een gemiddelde snelheid van 155 km/u te rijden op een weg waar 60 km/u was toegestaan. Het voertuig botste tegen meerdere bomen, waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opliep, waaronder een gescheurde halsslagader en gehoorverlies.

Verdachte ontkende bestuurder te zijn, maar de rechtbank acht op basis van verklaringen van getuigen en verdachte zelf bewezen dat hij de bestuurder was. Verdachte reed roekeloos door de hoge snelheid op een smalle, onverlichte weg met bomen dicht langs de weg, waardoor gevaar voor zwaar letsel voorzienbaar was.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot 4 maanden gevangenisstraf en een rijontzegging van 2 jaar. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van €4.652,53 aan materiële schadevergoeding aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente. Verzoeken tot het horen van aanvullende getuigen en een schouwarts werden afgewezen wegens onvoldoende noodzaak.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf, 2 jaar rijontzegging en betaling van €4.652,53 schadevergoeding wegens roekeloos rijden met zwaar lichamelijk letsel.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/270940-24
Datum uitspraak : 12 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
Raadsvrouw: mr. N. Roos, advocaat in Rotterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 november 2025.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 februari 2024 te Herwijnen, gemeente West Betuwe als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),
komende uit de richting van de Mertsesteeg, gaande in de richting van de Nieuwesteeg, daarmede heeft gereden over de Mert, roekeloos, althans zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl hij beginnend bestuurder was en/of
terwijl die weg (de Mert) een smalle weg is, waar aan beide kanten bomen dicht langs die weg staan, heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur, in elk geval met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, immers reed hij op een traject van (ongeveer) 1770 meter (dat eindigde vlak voor de plaats van het ongeval) met een gemiddelde snelheid van (ongeveer) 155 kilometer per uur en/of reed hij op dat traject met snelheden oplopend tot (ongeveer) 178 kilometer per uur en/of
terwijl in een flauwe bocht reed en/of uit die flauwe bocht kwam, in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, een of meerdere bomen,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 februari 2024 te Herwijnen, gemeente West Betuwe als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),
komende uit de richting van de Mertsesteeg, gaande in de richting van de Nieuwesteeg, daarmede heeft gereden over de Mert, terwijl hij beginnend bestuurder was en/of
terwijl die weg (de Mert) een smalle weg is, waar aan beide kanten bomen dicht langs die weg staan,
heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur, in elk geval met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, immers reed hij op een traject van (ongeveer) 1770 meter (dat eindigde vlak voor de plaats van het ongeval) met een gemiddelde snelheid van (ongeveer) 155 kilometer per uur en/of reed hij op dat traject met snelheden oplopend tot (ongeveer) 178 kilometer per uur en/of
terwijl in een flauwe bocht reed en/of uit die flauwe bocht kwam, in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, een of meerdere bomen, en aldus in strijd met het in artikel 5a van de WVW94 gestelde verbod, zich opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen dat voormelde verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 februari 2024 te Herwijnen, gemeente West Betuwe als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),
komende uit de richting van de Mertsesteeg, gaande in de richting van de Nieuwesteeg, daarmede heeft gereden over de Mert, terwijl hij beginnend bestuurder was en/of
terwijl die weg (de Mert) een smalle weg is, waar aan beide kanten bomen dicht langs die weg staan,
heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur, in elk geval met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, immers reed hij op een traject van (ongeveer) 1770 meter (dat eindigde vlak voor de plaats van het ongeval) met een gemiddelde snelheid van (ongeveer) 155 kilometer per uur en/of reed hij op dat traject met snelheden oplopend tot (ongeveer) 178 kilometer per uur en/of
terwijl in een flauwe bocht reed en/of uit die flauwe bocht kwam, in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, een of meerdere bomen, en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 februari 2024 te Herwijnen, gemeente West Betuwe als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Mert, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een of meerdere bomen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 2 februari 2024 heeft een eenzijdig ongeval plaatsgevonden op de Mert in Herwijnen, ter hoogte van de percelen nummers 9 en 12. Omstreeks 21.25 uur is de bestuurder van een personenauto Volkswagen Golf, voorzien van kenteken [kenteken] , met zeer hoge snelheid tegen drie verschillende bomen aan gebotst. De politie heeft onderzoek gedaan naar de snelheid van de personenauto in de seconden voor het ongeval en op het moment van het ongeval aan de hand van telefoondata van een iPhone XR van verdachte. Daaruit is gebleken dat de bestuurder van de Volkswagen in de 41 seconden voorafgaand aan het ongeval ongeveer 1.770 meter heeft afgelegd. De Volkswagen reed met een gemiddelde snelheid van 155 kilometer per uur en vlak voor het ongeval met snelheden van 174 en 166 kilometer per uur. Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur. [2]
De politie heeft onderzoek gedaan naar de situatie ter plaatse en naar de botsing. Daaruit is gebleken dat voor wat betreft het onderhoud en de weginrichting geen bijzonderheden zijn aangetroffen. Het was ’s avonds, het was donker en er was geen straatverlichting aanwezig. Aan beide kanten van de weg staan dicht langs de weg bomen. Verder was het helder en het wegdek was droog. Op basis van de aangetroffen sporen is het aannemelijk dat de bestuurder van de Volkswagen met de voorzijde tegen de eerste boom is gereden, vervolgens de tweede boom met de linkerzijde heeft geraakt, daarna met de klok mee om zijn as is gedraaid en vervolgens met de rechter voorzijde de derde boom heeft geraakt. Van het voertuig zijn onder meer het rechter voorwiel, een motorkap en een voorbumper losgekomen. Het motorblok van de Volkswagen lag enkele meters verderop in de sloot. [3]
In het voertuig bevonden zich [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 2003, en verdachte en zij hebben beiden letsel opgelopen door het ongeval. Bij [slachtoffer] is een gescheurde halsslagader, een verbrijzelde knie, een gescheurd trommelvlies, een whiplash en een hersenschudding vastgesteld. [slachtoffer] is aan zijn oor geopereerd, want door het ongeval heeft hij gehoorverlies opgelopen. Uit de verklaring van zijn moeder als getuige op de zitting blijkt dat zijn gehoorverlies ongeveer 50% was na het ongeval, maar dat er een gehoorverbetering van 30% is opgetreden door de operatie. Het gehoor van [slachtoffer] is dus nog wel steeds verminderd. [slachtoffer] heeft een maand volledig niet kunnen werken en het opbouwen naar weer volledig werken heeft in totaal ongeveer vier maanden geduurd. [4] Verdachte had zijn knie en vinger uit de kom. Beide inzittenden waren niet onder invloed van een strafbare hoeveelheid verdovende middelen. [5]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Hij gaat daarbij uit van de hoogste schuldgradatie, te weten roekeloosheid zoals bedoeld in artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994 (hierna: WVW). Hij gaat ervan uit dat verdachte degene is geweest die de personenauto bestuurde en baseert zich op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Het letsel van [slachtoffer] is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte ontkent te hebben gereden en het dossier bevat volgens de raadsvrouw veel indicaties dat verdachte de auto niet bestuurde. Zo is aangevoerd dat het voertuig voornamelijk aan de linker voorkant de meeste impact heeft gehad van het ongeval tegen de bomen en het zodoende logisch is dat [slachtoffer] reed, omdat hij de meeste verwondingen heeft.
Beoordeling door de rechtbank
De politie is vrij snel na het ongeval ter plaatse gegaan. Zij werden aangesproken door een vrouw (later bleek dit getuige [getuige] ), die verklaarde dat één persoon vanuit het gecrashte voertuig naar een ander voertuig was gelopen en in dat andere voertuig op de bijrijdersstoel was gaan zitten. Dit bleek verdachte te zijn. De verbalisanten hoorden verdachte zeggen dat hij de bestuurder was ten tijde van het ongeval, omdat zijn vriend, van wie het voertuig zou zijn, had gedronken en drugs had gebruikt. Op een later moment verklaarde verdachte dat hij de macht over het stuur was verloren, omdat zijn vriend aan de handrem zou hebben getrokken. [6]
De politie heeft meerdere getuigen gehoord die vlak bij de plaats van het ongeval wonen.
Getuige [getuige] , woonachtig op [adres] , heeft verklaard dat hij net buiten stond toen hij een auto met zeer hoge snelheid over de Mert zag rijden. [7]
Getuige [getuige] , woonachtig op [adres] , heeft verklaard dat zij vanuit hun huis een harde klap hoorde en direct naar buiten is gerend. Zij zag een auto in de berm staan. Een jongeman kwam haar tegemoet lopen die erg overstuur was. Hij zei tegen haar dat hij dacht dat de andere jongen overleden was, omdat er allemaal bloed uit hem spoot en hij drugs op had. Ze is doorgelopen naar de personenauto en zag een jongen op de bijrijdersstoel liggen die niet aanspreekbaar was. Er zat allemaal bloed op zijn keel en rechteroor. Later zei die jongen dat hij op [geboortedag] was geboren en 20 jaar oud was. [8]
Getuige [getuige] , woonachtig op [adres] , heeft verklaard dat hij een personenauto hard hoorde langsrijden. Hij schatte in dat de personenauto zeker rond de 180 kilometer per uur reed. Even later hoorde hij een klap. [9]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij zag dat de auto die hij eerder had gezien een ongeluk had gehad. De persoon op de bijrijdersstoel zag er erg beroerd uit. [10]
Uit het onderzoek van de politie is gebleken dat door geen van de inzittenden autogordels werden gedragen. In de sluiting van de gordel, bestemd voor de passagier rechts voorin, was een aparte gesp aanwezig. [11]
[slachtoffer] heeft verklaard dat hij van het ongeval niets meer weet. [slachtoffer] heeft wel verklaard dat hij de bijrijder was. Verdachte heeft tegen hem gezegd dat hij heeft gereden en dat [slachtoffer] aan de handrem heeft getrokken. [12]
Verdachte is op 8 juni 2024 gehoord door de politie. Hij heeft verklaard dat hij op 2 februari 2024 bij de McDonalds was met [slachtoffer] en dat [slachtoffer] bier aan het drinken was. Verdachte zei toen dat hij in de personenauto ging rijden. Verdachte reed van de parkeerplaats af. [slachtoffer] gaf toen aan dat hij wilde rijden en dat is hij vervolgens ook gaan doen. [slachtoffer] zou met een bloedgang over de boerenlandweggetjes gereden hebben. Voor verdachte het wist, lagen ze tegen een boom aan. Hij heeft het toen voor [slachtoffer] opgenomen door te zeggen dat hij, verdachte, gereden had, zodat [slachtoffer] niet verder in de problemen zou komen. Verdachte is naar eigen zeggen na het ongeval over [slachtoffer] heen geklommen en heeft hem daarna van de bestuurderskant naar de bijrijdersstoel getrokken. De deur aan de bestuurderskant ging niet open. Dit heeft zo’n drie à vier minuten geduurd. [slachtoffer] had een ‘klikker’, dat wil zeggen een losse gesp die in de bevestiging van de autogordel wordt gestoken, zodat het alarm van het niet dragen van de gordel niet afgaat. Deze heeft verdachte na het ongeval nog verplaatst naar de bijrijdersstoel. [13] Verdachte heeft ter terechtzitting herhaald dat hij niet de bestuurder van de Volkswagen is geweest.
Was verdachte de bestuurder van de Volkswagen?
Voor de beantwoording van de vraag of verdachte schuld heeft gehad aan dit verkeersongeval in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of verdachte de bestuurder was van de personenauto waarmee het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank dient die vraag bevestigend te worden beantwoord op basis van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang beschouwd.
In de eerste plaats is daartoe van belang dat verdachte direct na het ongeval op meerdere momenten aan de ter plaatse gekomen verbalisanten heeft verklaard dat hij degene was die de personenauto bestuurde.
Verdachte heeft in zijn latere verklaring verklaard dat hij de deur van de bestuurderskant heeft geprobeerd te openen, terwijl hij over [slachtoffer] heen is gebogen, maar dat het niet lukte. (Verbalisant [verbalisant] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat het bestuurdersportier inderdaad niet geopend kon worden. [14] )
Vervolgens, zo verklaart verdachte, is hij uitgestapt en heeft hij de bestuurderskant vanaf de buitenkant geprobeerd te openen. Dat lukte niet. Vervolgens is hij weer terug gelopen en zou hij [slachtoffer] naar de passagierskant hebben getild én nog de klikker van de autogordel hebben verplaatst.
Dat dit alles in drie à vier minuten zou zijn gebeurd acht de rechtbank onaannemelijk. Bovendien strookt dit niet met de verklaring van getuige [getuige] , die vlakbij de plaats van het ongeval woont, dat zij, direct na de klap te hebben gehoord, naar buiten is gerend en dat zij toen zag dat verdachte al aan kwam lopen. Ook zag zij een jongen op de bijrijdersstoel zitten die er slecht aan toe was en als geboortedatum [geboortedag] opgaf en 20 jaar was, de geboortedatum en leeftijd van [slachtoffer] .
Ook om enkele andere redenen is de latere verklaring van verdachte, dat hij ten onrechte de schuld op zich heeft genomen om [slachtoffer] uit de wind te houden, niet geloofwaardig. Hij heeft immers volgens getuige [getuige] verklaard dat hij dacht dat de andere jongen dood was; het bloed spoot eruit. Ook [slachtoffer] heeft verklaard dat gehoord te hebben van een van de buurtbewoners met wie hij daarna contact heeft gehad. [15]
Het is niet geloofwaardig dat hij [slachtoffer] , in verband met diens alcohol- en cocaïne gebruik, uit de wind zou willen houden terwijl hij tegelijkertijd dacht dat [slachtoffer] overleden was. Verdachte heeft hiervoor ter zitting geen aannemelijke verklaring kunnen geven.
Bovendien is deze reden voor de ‘valse schuldbekentenis’ moeilijk te rijmen met zijn verklaring tegen de verbalisant ter plaatse, dat hij gereden had maar dat de passagier, [slachtoffer] dus, aan de handrem had getrokken waardoor hij de macht over het stuur was verloren. [16] Enerzijds zegt hij dan [slachtoffer] te willen beschermen, maar in dezelfde adem legt hij de oorzaak van het ongeval wel bij hem neer. Die beschuldiging zou ook reden kunnen zijn voor een alcohol- en drugsonderzoek bij [slachtoffer] , ook al zou hij worden aangemerkt als passagier.
Op zichzelf is het al niet geloofwaardig dat iemand na een zo harde crash als hier aan de orde, aan het lichaam van een zwaargewonde vriend (het bloed spoot uit de hals en een oor) gaat duwen en trekken, over de versnellingspook en het middenconsole met een deels aangetrokken handrem om dat lichaam op de passagiersplaats te krijgen, enkel en alleen om hem een bloedonderzoek te besparen. Ook het relatief kleine interieur van de Volkswagen Golf draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van dit verhaal. [17]
De rechtbank wijst tenslotte nog op de wisselende en tegenstrijdige verklaringen van verdachte over de autogordel ‘klikker’. Zo verklaart verdachte op 8 juni 2024 dat hij een autogordel droeg en [slachtoffer] deze niet droeg. De klikker van [slachtoffer] zou hij na het ongeval eruit hebben gehaald en verplaatst. [slachtoffer] zou nooit een gordel dragen. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij zelf geen fan is van gordels, maar een ‘klikker’ had. [slachtoffer] zou wel een gordel hebben gedragen en juist een hekel hebben aan een ‘klikker’. [slachtoffer] zou nooit met een ‘klikker’ rijden. Verdachte reed altijd met een ‘klikker’ en had deze die avond ook op zak.”
Door de verdediging is nog aangevoerd dat [slachtoffer] wel gereden moet hebben, omdat de impact van de personenauto op de boom aan de linkerkant het grootst moet zijn geweest en de verwondingen van [slachtoffer] ernstiger waren dan die van verdachte. De rechtbank verwerpt dat verweer, nu dat louter speculatief is en het zich niet laat rijmen met voorgaande bewijsmiddelen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het gezien deze feiten en omstandigheden niet anders zijn dan dat verdachte degene was die de personenauto bestuurde.
Schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro
Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro, moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid dan wel onoplettendheid en/of onachtzaamheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro. Een enkel moment van onoplettendheid is over het algemeen niet voldoende voor het aannemen van aanmerkelijke schuld.
De rechtbank is van oordeel dat de bewezen gedragingen van verdachte, zoals hiervoor weergegeven, het ongeval hebben veroorzaakt en de conclusie rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval.
Roekeloosheid
Onder roekeloosheid moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging of gedragingen van een verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl deze verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 in Pro samenhang met artikel 6 WVW Pro is in elk geval sprake als het gedrag ook als overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt (zie HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024: 1405). Artikel 5a, eerste lid, WVW beschrijft - niet uitputtend - een reeks gedragingen die kunnen worden beschouwd als ernstig gevaarzettend. Als de verdachte, door één of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedraagt dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte voorafgaand aan het verkeersongeval heeft gereden met een snelheid van gemiddeld 155 kilometer per uur over een traject van ongeveer 1.770 meter, met uitschieters van 166 en 174 kilometer per uur. Verdachte heeft aldus de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 60 kilometer per uur in zeer ernstige mate overschreden. Het overschrijden van de maximale snelheid is een gedraging die ingevolge artikel 5a, eerste lid, onder g WVW uitdrukkelijk wordt aangemerkt als gedrag waarbij verkeersregels in ernstige mate worden geschonden. Naar het oordeel van de rechtbank is deze gedraging van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm gericht op de opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels.
Om te kunnen vaststellen dat er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte in het donker op een smalle weg zonder verlichting reed. Dicht langs deze weg staan bomen. Op de plaats van het ongeval was een bocht in de weg. In verband met de verkeersveiligheid was het evident dat verdachte zich aan de maximumsnelheid had moeten houden. Hoe harder iemand rijdt, hoe groter het risico dat men bij het minste of geringste voorval de macht over het stuur verliest en hoe ernstiger de gevolgen zullen zijn. Door het gedrag van verdachte was gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van andere verkeersdeelnemers te duchten. Het door verdachte gecreëerde gevaar voor zwaar lichamelijk letsel heeft zich die avond ook verwezenlijkt, zoals de rechtbank hierna zal overwegen.
De rechtbank oordeelt op basis van het voorgaande dat het verkeersgedrag van verdachte dat tot het ongeval heeft geleid, tevens kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW en dat deze een veroordeling op grond van dit artikel zonder meer zou rechtvaardigen als er geen ongeval zou hebben plaatsgevonden. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval waarbij sprake is van de zwaarste vorm van schuld, namelijk roekeloosheid.
Zwaar lichamelijk letsel
Als gevolg van het door verdachte veroorzaakte ongeval heeft [slachtoffer] een gescheurde halsslagader, een verbrijzelde knie, een gescheurd trommelvlies, een whiplash en een hersenschudding opgelopen. Hij is aan zijn oor geopereerd en ter zitting is gebleken dat zijn gehoor nog niet volledig is verbeterd en nooit meer volledig zal herstellen.
Gelet op de aard van dit letsel, de noodzaak van een medische (operatieve) ingreep en het vooruitzicht dat het gehoor niet volledig zal herstellen, merkt de rechtbank dit letsel aan als zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat het rijgedrag van verdachte gezien de daar geldende situatie is aan te merken als rijgedrag zoals omschreven in artikel 5a WVW en gelet op het hiervoor overwogene daarmee ook als roekeloos in de zin van artikel 6 WVW Pro. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
Voorwaardelijke verzoeken
De raadsvrouw heeft bij pleidooi het voorwaardelijke verzoek gedaan om, als de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen, [getuige] als getuige te horen. Daarnaast is verzocht een schouwarts te horen als getuige, nu die wellicht aan de hand van de impact van de botsing en het letsel dat beide personen daarbij hebben opgelopen, iets kan zeggen over de plaats waar ieder van hen heeft gezeten ten tijde van het ongeval.
Gelet op het moment waarop het verzoek door de raadsvrouw is gedaan, zal de rechtbank dit verzoek beoordelen aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. Zij beschouwt deze getuige ( [getuige] ) niet als een ‘keskin-getuige’ nu zij niet een - rechtstreeks - belastende verklaring tegen verdachte heeft afgelegd.
De verdediging heeft de noodzaak voor de te horen getuige [getuige] niet onderbouwd, anders dan met de stelling dat zij “een belangrijke getuige” is en direct na het feit aanwezig was. De beoordeling of verdachte heeft gereden wordt voornamelijk gebaseerd op diens eigen verklaring. Het dossier biedt ook zonder de verklaring van [getuige] voldoende aanknopingspunten dat verdachte degene is geweest die het voertuig heeft bestuurd. Daarmee is de noodzaak voor het horen van deze getuige niet, in ieder geval onvoldoende, gegeven. De rechtbank wijst dat verzoek daarom af.
De rechtbank zal het verzoek tot het horen van een schouwarts eveneens afwijzen. De redenering dat het letsel en de schade aan de auto een indicatie geeft voor de plaats waar beide inzittenden zaten is gespeend van iedere - wetenschappelijke - onderbouwing. Het verzoek heeft eerder iets weg van een
fishing expedition: we gooien een hengel uit en zien wel wat er aan blijft haken. Het dossier biedt bovendien voldoende aanknopingspunten dat verdachte degene is geweest die het voertuig heeft bestuurd. De noodzaak om een schouwarts te horen over het letsel is daarmee niet gegeven. De rechtbank wijst dat verzoek eveneens af.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks2 februari 2024 te Herwijnen, gemeente West Betuwe als verkeersdeel-nemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de richting van de Mertsesteeg, gaande in de richting van de Nieuwesteeg, daarmede
heeft geredenover de Mert, roekeloos
, althans zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaamheeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl hij beginnend bestuurder was en/of
terwijl die weg (de Mert) een smalle weg is, waar aan beide kanten bomen dicht langs die weg staan,
heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur,
in elk geval met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was,immers reed hij op een traject van
(ongeveer
)1770 meter (dat eindigde vlak voor de plaats van het ongeval) met een gemiddelde snelheid van
(ongeveer
)155 kilometer per uur en
/ofreed hij op dat traject met snelheden oplopend tot
(ongeveer
) 178174kilometer per uur en
/of
terwijl
hijin een flauwe bocht reed en
/ofuit die flauwe bocht kwam, in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en
/of
is gebotst tegen
, althans in aanrijding is gekomen met, een ofmeerdere bomen,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor
aaneen ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel
of zodanig lichamelijk letselwerd toegebracht
, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en daarnaast tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 2 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat niet in strafverzwarende mate kan worden afgeweken van de LOVS-oriëntatiepunten, waar 120 tot 160 uur taakstraf en 6 maanden ontzegging van de rijbevoegdheid het oriëntatiepunt is. Daarbij is aangegeven dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ongeval, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Tot op de dag van vandaag heeft [slachtoffer] nog dagelijks te kampen met de gevolgen van het ongeval. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zodanig roekeloos heeft gereden dat dit ongeval is gebeurd en dat deze gevolgen voor [slachtoffer] zijn ingetreden. Daarnaast heeft verdachte met zijn handelen in meer algemene zin de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht. Hij heeft in het donker op een smalle weg met een absurd hoge snelheid gereden met een reëel risico op een ongeval met bijvoorbeeld een tegenligger, fietser of voetganger. Voor verdachte, andere verkeersdeelnemers en de samenleving moet duidelijk zijn dat dergelijk risicovol gedrag in het verkeer onaanvaardbaar is. Verdachte heeft voor het voorgaande geen verantwoording genomen en niet is gebleken dat verdachte zich bewust is van de gevolgen van zijn handelen. Integendeel, hij probeert met vergezochte verhalen de schuld van zich af te schuiven. Veelzeggend is de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte hem in het ziekenhuis bezocht, niet vroeg hoe het met hem ging, maar de volgende dag wel een bericht op Instagram stuurde aan [slachtoffer] dat hij de handrem had aangetrokken. De rechtbank rekent hem dit aan.
Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Zo is op 8 augustus 2024 een onherroepelijke strafbeschikking van
€ 780,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 45 dagen opgelegd voor een verkeersovertreding op 31 maart 2024, twee maanden na dit ongeval. Op 18 november 2025 is hem een geldboete opgelegd voor een op 5 augustus 2025 gepleegde snelheidsovertreding. Deze strafbeschikking is kennelijk nog niet onherroepelijk, maar verdachte heeft deze overtreding, na confrontatie daarmee door de officier van justitie, ook niet ontkend. Verdachte is kennelijk erg hardleers.
Naar het oordeel van de rechtbank kan, mede vanuit een oogpunt van vergelding en generale preventie en gelet op de hiervoor genoemde ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Bij de bepaling van de duur daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf van 4 maanden passend.
Daarnaast zal de rechtbank, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid, aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen en ook omdat verdachte ervan doordrongen moet worden dat hij zijn verkeersgedrag moet aanpassen. De rechtbank zal aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid van 2 jaar opleggen.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 4.665,77 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij integraal kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen ten aanzien van de medische kosten (eigen bijdrage 2024 en 2025) en eigen bijdrage medische kosten voor een bedrag van € 40,13, ten aanzien van twee facturen van de tandarts voor een bedrag van € 30,97 en € 76,03. De overige medische kosten dienen te worden afgewezen. De opsomming in productie 7 is niet goed opgeteld, dat zou € 69,14 in plaats van € 86,22 moeten zijn. Enkele betalingen zijn niet door verdachte gedaan, maar door “ [naam] ”. De reis- en parkeerkosten kunnen gedeeltelijk worden toegewezen voor een bedrag van € 36,30 en € 5,35. De schade aan de kleding dient te worden afgewezen, omdat niet is gebleken dat genoemde goederen onherstelbaar zijn beschadigd of verloren zijn gegaan. De schade aan de auto dient te worden afgewezen, nu de schade niet inzichtelijk is. Ook de schadepost verzekering en wegenbelasting dient te worden afgewezen, omdat [slachtoffer] de verzekering eerder had kunnen opzeggen. De schadepost kentekenpas dient te worden afgewezen, nu niet duidelijk is wat het causaal verband is tussen de verdwenen kentekenpas en het bewezenverklaarde.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De rechtbank gaat ervan uit dat de vordering gegrond is op artikel 6:107 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) (schadevergoeding bij letsel/verplaatste schade) voor zover deze ziet op de daggeldvergoeding (ziekenhuis) en de kosten eigen risico.
De rechtbank overweegt dat de schadeposten ‘daggeldvergoeding’, ‘medische kosten’, ‘overige kosten’ en ‘schade auto’ voldoende zijn onderbouwd en redelijk voorkomen. De kosten die zouden zijn voldaan door de moeder van de benadeelde partij komen eveneens als verplaatste schade voor vergoeding in aanmerking. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De schadepost gebitsreiniging (€ 7,89) kan niet worden toegewezen, omdat het causaal verband daarin ontbreekt. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Ook de schadeposten ‘reis- en parkeerkosten’ zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De schadepost reiskosten naar de bedrijfsarts (€ 5,35) kan niet worden toegewezen, nu het causaal verband daarin ontbreekt. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade tot een hoogte van € 4.652,53 (€ 4.665,77 - € 7,89 - € 5,35) kan worden toegewezen.
Verdachte is vanaf 6 januari 2025 (het midden van de periode waarover kosten zijn gevorderd) wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 36 f en 63 van het Wetboek van Strafrecht; en
- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden;
 ontzegt verdachte de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
2 (twee) jaren;
Vordering benadeelde partij [slachtoffer]
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 4.652,53 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 56 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.H. Hovens, mr. I. de Bruin en mr. R.D. Leen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Teger, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 december 2025.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024052917, gesloten op 29 juli 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal aanrijding, p. 7-9; proces-verbaal Forensische Opsporing Verkeer, p. 31-39.
3.Proces-verbaal FO Verkeer, p. 40-58.
4.Proces-verbaal aanrijding, p. 7-9; proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer] , p. 11 (aanvullend pv); verklaring van getuige [getuige] ter terechtzitting van 28 november 2025.
5.Proces-verbaal aanrijding, p. 10.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 93.
7.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 84.
8.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 87.
9.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 90.
10.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 3 (aanvullend pv).
11.Proces-verbaal FO Verkeer, p. 40-58; proces-verbaal van verhoor getuige [verbalisant] bij de rechter-commissaris op 18 juni 2025.
12.Proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer] , p. 122-125.
13.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 135-139.
14.Proces-verbaal van verhoor van [verbalisant] door de rechter-commissaris.
15.Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer] , p. 135.
16.Relaas proces-verbaal FO verkeer, p. 34.
17.Zie de foto’s van het interieur, p. 53 t/m 56.