ECLI:NL:RBGEL:2025:11903

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
C/05/454944 / HZ ZA 25-203
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 217 RvArt. 218 RvArt. 3:185 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in incidentele vordering tot tussenkomst in nalatenschapsprocedure

In deze civiele procedure vordert eiser in incident tussenkomst in de hoofdzaak tussen verweerder 1 en verweerder 2, waarbij zij zelfstandig wil concluderen en eisen stellen met betrekking tot de afwikkeling van nalatenschappen. De rechtbank beoordeelt de incidentele vordering tot tussenkomst op grond van artikel 217 en Pro 218 Rv.

Eiser in incident heeft haar vordering tot tussenkomst ingediend op de roldatum 12 november 2025, terwijl de laatste conclusie in de hoofdzaak op 8 oktober 2025 was genomen. De rechtbank oordeelt dat deze indiening te laat is en dat de stelling van eiser dat het procesbelang zwaar weegt onvoldoende is om hiervan af te wijken. Verweerder 1 heeft bovendien gemotiveerd aangevoerd dat eiser al sinds 22 juli 2025 bekend was met de procedure.

De rechtbank verklaart eiser in incident niet-ontvankelijk in haar vordering tot tussenkomst en veroordeelt haar in de proceskosten van verweerders. De hoofdzaak wordt aangehouden tot de mondelinge behandeling op 29 januari 2026.

Uitkomst: Eiser in incident wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot tussenkomst en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/454944 / HZ ZA 25-203
Vonnis in incident van 24 december 2025
in de zaak van
[naam eiser in incident] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser in incident] ,
advocaat: mr. S.H. van Os,
in de procedure tussen:
[naam verweerder 1],
te [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [verweerder 1] ,
advocaat: mr. A.H.J. Emmen,
tegen
[naam verweerder 2], in haar hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van mevrouw [naam erflaatster] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [verweerder 2] ,
advocaat: mr. A.J.C.M. van Acht,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de incidentele conclusie houdende vordering tot tussenkomst in de zin van artikel 217 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
- de conclusie van antwoord in incidentele conclusie houdende vordering tot tussenkomst in de zin van artikel 217 Rv Pro van de zijde van [verweerder 2]
- de conclusie van antwoord in het incident tot tussenkomst van de zijde van [verweerder 1] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil in het incident

2.1.
[eiser in incident] vordert in incident dat haar wordt toegestaan in de procedure in de hoofdzaak tussen [verweerder 1] en [verweerder 2] tussen te komen en zelfstandig te mogen concluderen en eisen dat:
I. de vordering van [verweerder 1] , dat aan hem € 46.871,00 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 februari 2025 zal worden uitgekeerd door [verweerder 2] , wordt afgewezen;
II. [verweerder 1] wordt veroordeeld tot terugbetaling aan de nalatenschap van erflaatster van een bedrag van € 17.360,96, zijnde dit onverschuldigd aan hem betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van haar conclusie;
III. [verweerder 2] wordt veroordeeld om aan [eiser in incident] uit te keren het haar toekomende legaat, na aftrek van de verschuldigde erfbelasting netto een bedrag van € 204.275,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag te rekenen vanaf 10 juli 2025, dan wel – subsidiair – aan haar een voorschot uit te keren van een bedrag door de rechtbank in goede justitie vast te stellen;
IV. dat de nalatenschappen van erflaters worden verdeeld door de rechtbank, rekening houdend naar billijkheid met de belangen van alle partijen als ook het algemeen belang, op grond van artikel 3:185 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW);
V. te bepalen dat de eigen kosten in deze procedure voor rekening van [verweerder 1] en van [eiser in incident] komen en dat de proceskosten van [verweerder 2] bij helfte door [verweerder 1] en [eiser in incident] worden gedragen, met veroordeling van [verweerder 1] tot betaling van zijn aandeel in die kosten aan de nalatenschap.
2.2.
[eiser in incident] stelt hiertoe dat alle geschilpunten met betrekking tot de afwikkeling van de nalatenschappen van de vader en moeder van [eiser in incident] en [verweerder 1] tegelijk moeten worden behandeld omdat deze zich niet goed los van elkaar laten behandelen.
2.3.
[verweerder 1] voert aan dat de incidentele conclusie tot tussenkomst op grond van artikel 218 Rv Pro te laat is ingediend, zodat de incidentele vordering tot tussenkomst dient te worden afgewezen. Als [eiser in incident] wel wordt toegelaten, dient zij in haar vorderingen onder I, II, IV en V niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat deze vorderingen tot de exclusieve bevoegdheid van [verweerder 2] in haar hoedanigheid van executeur dan wel afwikkelingsbewindvoerder behoren.
2.4.
[verweerder 2] maakt geen bezwaar tegen de incidentele vordering tot tussenkomst van [eiser in incident] . Wel dient [eiser in incident] in haar vorderingen II en IV niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat dit verdelingskwesties zijn en de executeur-afwikkelingsbewindvoerder met uitsluiting van de erfgenamen bevoegd is om de verdeling van de nalatenschap tot stand te brengen.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
Op grond van artikel 217 Rv Pro kan ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen. Artikel 218 Rv Pro bepaalt dat een dergelijke vordering moet worden ingesteld bij incidentele conclusie vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie in het aanhangige geding wordt genomen.
3.2.
[eiser in incident] heeft haar incidentele vordering tot tussenkomst op de roldatum van
12 november 2025 ingesteld, terwijl de laatste conclusie in het aanhangige geding – de conclusie van antwoord van [verweerder 2] – op de roldatum van 8 oktober 2025 is genomen. [eiser in incident] stelt dat in de rechtspraak is bepaald dat tussenkomst ook nog mogelijk is na conclusie van antwoord mits het procesbelang van de tussenkomende partij voldoende zwaar weegt en de goede procesorde niet wordt geschaad. De rechtbank volgt haar niet in deze stelling.
3.3.
Indien sprake is van een belang in de zin van artikel 217 Rv Pro
ende incidentele vordering tot voeging volgens artikel 218 Rv Pro tijdig is ingesteld, is die vordering in beginsel toewijsbaar. Aan de toewijsbaarheid kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan (ECLI:NL:HR:2014:768). Dat de eisen van een goede procesorde niet zouden zijn geschonden, heeft niet tot gevolg dat tussenkomst mogelijk is middels een op grond van artikel 218 Rv Pro te laat ingestelde conclusie. Daar komt bij dat [verweerder 1] gemotiveerd heeft aangevoerd dat [eiser in incident] al vanaf 22 juli 2025 bekend was met de procedure tussen [verweerder 1] en
[verweerder 2] . De enkele stelling van [eiser in incident] dat haar procesbelang voldoende zwaar weegt, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om af te wijken van hetgeen in artikel 218 Rv Pro is bepaald. Van overige omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen is niet gebleken. De rechtbank zal [eiser in incident] niet-ontvankelijk verklaren in haar incidentele vordering tot tussenkomst.
Proceskosten
3.4.
[eiser in incident] wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar incidentele vordering tot tussenkomst, zodat zij heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij. [eiser in incident] zal daarom in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten van [verweerder 1] en [verweerder 2] worden begroot op ieder € 792,00 (€ 614,00 aan salaris advocaat
(1 punt, tarief II) + € 178,00 aan nakosten) plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.

4.De beoordeling in de hoofzaak

4.1.
De datum van de mondelinge behandeling in de procedure tussen [verweerder 1] en
[verweerder 2] is reeds vastgesteld op 29 januari 2026. Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak zal worden aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
verklaart [eiser in incident] niet-ontvankelijk in haar incidentele vordering tot tussenkomst in de procedure in de hoofdzaak tussen [verweerder 1] en [verweerder 2] ,
5.2.
veroordeelt [eiser in incident] in de kosten van het incident, aan de zijde van [verweerder 1] tot op tot op heden begroot op € 792,00 (€ 614,00 aan salaris advocaat (1 punt, tarief II) + € 178,00
aan nakosten), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser in incident] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser in incident] in de kosten van het incident, aan de zijde van
[verweerder 2] tot op heden begroot op € 792,00 (€ 614,00 aan salaris advocaat
(1 punt, tarief II) + € 178,00 aan nakosten), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser in incident] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
5.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
JV/PB