ECLI:NL:RBGEL:2025:130

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 januari 2025
Publicatiedatum
14 januari 2025
Zaaknummer
C/05/444322 / ZJ RK 24-866
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265a BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in gezinshuis

De rechtbank Gelderland heeft op 6 januari 2025 de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengd tot 19 januari 2026. Tevens is de machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening, te weten een gezinshuis, verlengd voor dezelfde periode. De moeder, die het ouderlijk gezag heeft, stemt in met de verlenging en benadrukt de noodzaak van extra hulp vanwege automutilatie en depressieve gedachten bij de minderjarige.

De vader, die geen gezag heeft, is het niet eens met de uithuisplaatsing en stelt dat de minderjarige bij hem kan wonen. Hij is bereid tot zorg en hulpverlening, maar voelt zich machteloos vanwege het ontbreken van gezag. De kinderrechter constateert dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft vanwege de ontwikkelingsbedreigingen, waaronder het emotionele welzijn van de minderjarige en de onduidelijkheid over haar opgroeiperspectief.

Het perspectiefonderzoek bij de moeder is gestopt, terwijl dat bij de vader recent is herstart. De kinderrechter benadrukt dat zolang de minderjarige niet bij de gezaghebbende ouder woont, een machtiging tot uithuisplaatsing vereist blijft. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 19 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zutphen
Zaaknummer: C/05/444322 / ZJ RK 24-866
Datum uitspraak: 6 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam vader], hierna te noemen de vader.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 november 2024;
  • het bericht van de moeder, ontvangen op 27 december 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 januari 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 19 januari 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 juli 2024 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 19 januari 2025.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 september 2024 de contact-/omgangsregeling beëindigd en de GI de regie gegeven over de aard, frequentie en duur van de omgang (voor beide ouders).

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (de kinderrechter begrijpt: een gezinsgerichte voorziening; een gezinshuis) te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De moeder is het eens met het verzoek. Volgens haar is de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van [minderjarige] . De moeder vindt wel dat [minderjarige] meer hulp nodig heeft dan dat ze nu krijgt. [minderjarige] doet aan automutilatie en wanneer het te veel wordt in haar hoofd weet zij niet hoe ze daarmee om moet gaan.
4.2.
De vader is het niet eens met het verzoek, hij vindt dat [minderjarige] bij hem kan wonen. Hij is prima in staat om voor [minderjarige] te zorgen en is ook bereid om hulpverlening te accepteren. De vader voelt zich echter machteloos om de situatie te veranderen, omdat hij geen gezag heeft over [minderjarige] .

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter vindt dat de ouders goede stappen hebben gezet om de situatie te verbeteren in het belang van [minderjarige] . Zo wordt benoemd dat zij minder negatief op elkaar reageren en hun zorgen met de hulpverlening bespreken. Ten aanzien van [minderjarige] is gebleken dat zij sinds korte tijd openstaat voor diagnostiek en behandeling. De ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] ziet de kinderrechter in dit stadium onder meer nog in de onduidelijkheid over haar opgroeiperspectief en in de automutilatie en depressieve gedachtes van [minderjarige] . Bovendien heeft [minderjarige] zelf aangegeven dat zij het erg moeilijk heeft met het feit dat ze veel ruzie heeft met haar moeder en ook dat zij haar zusjes nauwelijks ziet. Zij voelt zich vaak buitengesloten of afgewezen wanneer zij bij de moeder verblijft. Ook dit vormt een ontwikkelingsbedreiging indien daar niet de juiste hulp voor wordt ingezet of onvoldoende verbetering in komt. Het gevoel van afgewezen worden en niet goed genoeg te zijn kan veel negatieve gevolgen voor de ontwikkeling met zich brengen. Duidelijk is dat [minderjarige] extra hulp nodig heeft, hetgeen ook al voor een deel in gang is gezet. Op dit moment is nog onvoldoende gebleken dat de zorgen over [minderjarige] in een vrijwillig kader kunnen worden verholpen.
5.2.
De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar. [1]
5.3.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De moeder heeft op eigen initiatief het perspectiefonderzoek bij haar laten stopzetten. Datzelfde onderzoek bij de vader is ook tijdelijk stopgezet, maar is in november 2024 weer herstart. In de aankomende periode zal moeten blijken of [minderjarige] verder kan opgroeien bij haar vader en zo ja, wat voor gezagsverhouding en zorgregeling met de moeder daar dan bijpast. Zolang [minderjarige] niet bij de gezaghebbende ouder woont waar zij ook haar hoofdverblijfplaats heeft, is tijdens haar verblijf buiten het gezin gedurende de ondertoezichtstelling ook een machtiging tot uithuisplaatsing nodig. [3] Tijdens de zitting heeft de vader gezegd dat als [minderjarige] bij hem komt wonen, hij dan ook meteen het gezag moet krijgen. Voor een verzoek tot gezamenlijk gezag gelden echter andere procedures en regels, zodat de kinderrechter dat verzoek nu niet in behandeling kan nemen.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 19 januari 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening (te weten: een gezinshuis) tot 19 januari 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2025 door mr. C.J.M. van Apeldoorn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. G. Vlemmings als griffier, en op schrift gesteld op 13 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.

Voetnoten

1.Artikel 1:260, eerste lid, BW.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 1:265a BW.