AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing vorderingen eiser en toewijzing afgifte brommerverzameling aan gedaagde
De rechtbank Gelderland behandelde een civiele zaak over de koopovereenkomst van een brommerverzameling. Eerder was geoordeeld dat gedaagde de verzameling van eiser had gekocht voor €15.000, waarbij de verzameling bestond uit brom- en motorfietsen, kentekenbewijzen en reclameobjecten. Eiser zag af van het leveren van tegenbewijs tegen dit voorshands oordeel.
Gedaagde vorderde afgifte van het gedeelte van de verzameling dat nog bij eiser aanwezig zou zijn. De rechtbank oordeelde dat, ongeacht of de verzameling al dan niet geheel was geleverd, gedaagde recht heeft op aflevering op grond van artikel 7:9 BWPro. De vordering tot afgifte werd daarom toegewezen, inclusief een dwangsom bij niet-naleving.
De vorderingen van eiser tot afgifte van bromfietsen en kentekenbewijzen en tot vergoeding van €45.000 werden afgewezen, omdat vaststond dat gedaagde de volledige verzameling voor €15.000 had gekocht. Ook de gevorderde incassokosten werden afgewezen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Eiser wordt veroordeeld tot afgifte van de brommerverzameling aan gedaagde binnen zeven dagen onder dwangsom en tot betaling van proceskosten.
Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/436358 / HZ ZA 24-180
Vonnis van 19 februari 2025
in de zaak van
1.[eiser in conv 1] ,
te [woonplaats] , 2. [eiser in conv 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers in conv] ,
advocaat: mr. J. Bisschop,
tegen
[gedaagde in conv],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde in conv] ,
advocaat: mr. J. Peute.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 januari 2025 - het B16-formulier van [eisers in conv] van 4 februari 2025, waarbij hij aangeeft af te zien van het leveren van tegenbewijs en verzoekt om eindvonnis te wijzen
- het B16-formulier van [gedaagde in conv] van 4 februari 2025 waarin hij verzoekt om vonnis te wijzen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.De verdere beoordeling
in conventie en in reconventie
2.1.
De rechtbank neemt over en blijft bij hetgeen zij heeft overwogen en beslist in haar tussenvonnis van 15 januari 2025 (hierna: het tussenvonnis), tenzij in het navolgende uitdrukkelijk anders wordt overwogen en beslist.
2.2.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat erflater en [gedaagde in conv] een koopovereenkomst hebben gesloten waarbij [gedaagde in conv] de verzameling van erflater heeft gekocht voor een koopprijs van € 15.000,00. Daarbij heeft de rechtbank voorshands geoordeeld dat tot de verzameling van erflater alle brom- en motorfietsen, kentekenbewijzen, reclameobjecten en reclame-uitingen behoorden die [gedaagde in conv] onder zich heeft en die waarvan hij afgifte vordert, zoals weergegeven in de verklaring van [gedaagde in conv] (productie 4 bij conclusie van antwoord). [eisers in conv] is bij het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen dit voorshandse oordeel. [eisers in conv] heeft afgezien van het leveren van tegenbewijs.
2.3.
Omdat [eisers in conv] heeft afgezien van het leveren van tegenbewijs staat vast dat tot de verzameling van erflater alle brom- en motorfietsen, kentekenbewijzen, reclameobjecten en reclame-uitingen behoorden die [gedaagde in conv] onder zich heeft en die waarvan hij afgifte vordert, zoals weergegeven in de verklaring van [gedaagde in conv] (productie 4 bij conclusie van antwoord). Deze verzameling is op 16 juli 2022 gekocht door [gedaagde in conv] .
2.4.
[gedaagde in conv] vordert afgifte van het gedeelte van de verzameling dat zich bevindt bij eiser sub 2, zoals omschreven in randnummer 38, 39 en 40 van de conclusie van antwoord. Partijen verschillen van mening over de vraag of en, zo ja, op welke wijze (dit gedeelte van) de verzameling aan [gedaagde in conv] is geleverd. Dit kan echter in het midden blijven. Zelfs indien zou komen vast te staan dat de verzameling (gedeeltelijk) nog niet is geleverd, kan [gedaagde in conv] immers aanspraak maken op aflevering daarvan. Op grond van artikel 7:9 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) is de verkoper namelijk verplicht de verkochte zaak met toebehoren in eigendom over te dragen en af te leveren (lid 1). Onder aflevering wordt verstaan het stellen van de zaak in het bezit van de koper (lid 2). De vorderingen van [gedaagde in conv] tot afgifte van het resterende deel van de verzameling zal derhalve worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen en gemaximeerd zoals in de beslissing is vermeld.
2.5.
De door [eisers in conv] gevorderde veroordeling van [gedaagde in conv] tot afgifte van de bromfietsen, motorfietsen en kentekenbewijzen zal gelet op het voorgaande worden afgewezen. De door [eisers in conv] gevorderde vergoeding van € 45.000,00 zal eveneens worden afgewezen, nu vaststaat dat [gedaagde in conv] de volledige verzameling van erflater heeft gekocht voor een bedrag van € 15.000,00. Ook de door [eisers in conv] gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen.
2.6.
[eisers in conv] is zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde in conv] worden begroot op:
- griffierecht
€
1.325,00
- salaris advocaat
€
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
€
278,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.831,00
2.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
3.1.
wijst de vorderingen van [eisers in conv] af,
3.2.
veroordeelt [eisers in conv] tot afgifte van de bromfietsen, motorfietsen, kentekenbewijzen, reclameobjecten en reclame-uitingen als gespecificeerd in randnummer 38, 39 en 40 van de conclusie van antwoord, zulks binnen zeven dagen na dit vonnis op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat [eisers in conv] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,00,
3.3.
veroordeelt [eisers in conv] in de proceskosten van € 2.831,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers in conv] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
veroordeelt [eisers in conv] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.2, 3,3 en 3,4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.M.C. Boesberg en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2025.