Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2025:1941

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 maart 2025
Publicatiedatum
13 maart 2025
Zaaknummer
05/118616-23
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 onder B OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor cocaïnehandel, mishandeling en belediging van agenten met ontneming wederrechtelijk voordeel

De rechtbank Gelderland heeft een man van 24 jaar veroordeeld voor het gedurende ruim een half jaar verkopen van cocaïne, het mishandelen van een man en het beledigen van twee politieagenten. De straf bestaat uit een gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 179 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 180 uur. Daarnaast is de man veroordeeld tot betaling van bijna € 2.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel uit de drugshandel.

De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van drie afnemers, waaruit bleek dat de verdachte tussen 1 september 2022 en 15 maart 2023 cocaïne heeft verkocht. De opbrengst werd berekend op € 3.230, terwijl de inkoopkosten, rekening houdend met de versnijding van cocaïne, werden vastgesteld op € 1.234,67. Hierdoor werd het wederrechtelijk voordeel vastgesteld op € 1.995,33.

De officier van justitie had een hoger bedrag van bijna € 4.000 gevorderd, maar de rechtbank volgde de lagere berekening. De strafrechtelijke veroordeling omvatte ook de mishandeling en belediging, waarbij de strafmaat werd vastgesteld op basis van de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank bepaalde tevens de maximale duur van gijzeling op 39 dagen voor het geval de verdachte niet aan de betalingsverplichting zou voldoen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer in Zutphen op 10 maart 2025.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 dagen gevangenisstraf (179 voorwaardelijk), 180 uur taakstraf en betaling van € 1.995,33 aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Tegenspraak
Parketnummer : 05/118616-23
Datum uitspraak : 10 maart 2025
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. J. Michels, advocaat in Oldenzaal.

1.De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 3.979,65.

2.De procedure

De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering.
De raadsman heeft aangevoerd dat moet worden uitgegaan van een kortere periode van het dealen van cocaïne en dat de opbrengst beperkt moet worden tot (afgerond) € 1.000,-.

3.De beoordeling van de vordering

De rechtbank heeft kennisgenomen van het tegen veroordeelde gewezen vonnis van 10 maart 2025 waarbij, voor zover van belang, veroordeelde is veroordeeld voor het in de periode van 1 september 2022 tot en met 15 maart 2023 meermalen overtreden van een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten en baseert zich op de volgende bewijsmiddelen. [1]
In het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel vormen de verklaringen van een drietal afnemers van veroordeelde het uitgangspunt.
In de strafzaak heeft de rechtbank geoordeeld dat de enkele verklaring van [getuige 1] , voor zover het gaat over de periode waarin hij cocaïne heeft gekocht van veroordeelde, onvoldoende is voor een bewezenverklaring van de gehele ten laste gelegde periode. Op basis van de op 1 april 2023 door [getuige 2] afgelegde verklaring dat hij het jaar ervoor na de zomer, begin van de herfst, voor het eerst cocaïne heeft gekocht van veroordeelde [2] en de verklaring van veroordeelde dat hij tot de inbeslagneming van zijn telefoon op 19 maart 2023 cocaïne heeft verkocht [3] , heeft de rechtbank bewezen verklaard dat veroordeelde in de periode van 1 september 2022 tot en met 15 maart 2023 cocaïne heeft verkocht. Dit betekent dat de rechtbank uitgaat van een periode van 28 weken.
[getuige 1] heeft verklaard dat hij gemiddeld twee keer in de week één gram cocaïne kocht en dat het € 50,- per gram was. [4]
[getuige 3] heeft in december 2022 twee keer een gram cocaïne gekocht van veroordeelde en hij betaalde € 40,- per gram. [5]
[getuige 2] heeft verklaard dat als er in de chats staat dat er zeven keer om een gram is gevraagd, dan heeft hij dat aan drugs besteld en dan heeft hij zeven keer € 50,- betaald aan veroordeelde. [6]
Op basis van deze verklaringen is de opbrengst van veroordeelde in totaal (€ 2.800,- + € 80,- + € 350,- =) € 3.230,- geweest.
In het rapport is vermeld dat de gemiddelde inkoopprijs per gram cocaïne € 29,- is. Dit betreft de prijs voor het pure product cocaïne. De straatdealers versnijden de cocaïne altijd voor de verkoop c.q. grotere opbrengst. Uit de nationale Drugsmonitor 2019 blijkt dat straatdoses cocaïne voor 65,5 procent uit cocaïne bestaat. De overige 34,5 procent van de straatdoses bestaat uit versnijdingsmiddel. Van de totale som aan opgevoerde kosten zal dus 34,5 % worden afgetrokken. [7]
Uitgaande van de verkoop van in totaal (28 x 2 gram + 2 gram + 7 gram =) 65 gram, betekent het bovenstaande dat de inkoopprijs van de cocaïne voor veroordeelde € 1.885,- is geweest. Daarvan moet nog 34,5 % worden afgetrokken. Dit is een bedrag van € 650,33. De kosten van veroordeelde komen daarmee op een bedrag van € 1.234,67.
Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van (€ 3.230,- minus € 1.234,67 =) € 1.995,33. Zij zal hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

4.De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.De beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 1.995,33;
- legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering op 39 dagen.
Aldus gegeven door mr. J.M.J.M. Doon, voorzitter, mr. A.T.G. van Wandelen en
mr. M.S. de Vries, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 maart 2025.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023079545, gesloten op 17 april 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , p. 96-98.
3.Verklaring van veroordeelde, afgelegd tijdens de zitting van 25 februari 2025.
4.Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , p. 109-111.
5.Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , p. 102-104.
6.Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , p. 96-98.
7.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 30-35.