ECLI:NL:RBGEL:2025:2112

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 maart 2025
Publicatiedatum
18 maart 2025
Zaaknummer
10314956
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtigingsaanvraag voor vergoeding lower body lift wegens ontbreken aantoonbare functiestoornis

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot vergoeding van een lower body lift/abdominoplastiek, welke door VGZ is afgewezen. De kantonrechter benoemde een deskundige die een rapport opstelde waarin werd geconcludeerd dat bij eiser geen sprake is van een verminking in de zin van PRS 3 en geen aantoonbare lichamelijke functiestoornis aanwezig is. De deskundige stelde vast dat de bewegingsbeperking niet ernstig genoeg was en dat de criteria uit de Werkwijzer beoordeling behandelingen van plastisch chirurgische aard 2021 niet werden gehaald.

De kantonrechter nam het deskundigenrapport over en oordeelde dat de aanvraag niet navolgbaar was en dat VGZ de afwijzing terecht heeft gedaan. Hierdoor heeft eiser geen recht op vergoeding van de kosten voor de behandeling. Tevens werd eiser veroordeeld tot betaling van de proceskosten, waaronder de kosten van de gemachtigde en nakosten, alsmede de wettelijke rente bij niet tijdige betaling.

De procedure kende een tussenvonnis waarin de deskundige werd benoemd en partijen gelegenheid kregen te reageren op het concept-rapport. Beide partijen zagen af van het nemen van een conclusie na deskundigenbericht. Het vonnis is op 19 maart 2025 in het openbaar uitgesproken door kantonrechter E. Horsthuis.

Uitkomst: De rechtbank wijst de aanvraag tot vergoeding van de lower body lift af wegens het ontbreken van een aantoonbare lichamelijke functiestoornis.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 10314956 \ CV EXPL 23-908
Vonnis van 19 maart 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.A. Woudenberg,
tegen
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
te Arnhem,
gedaagde partij,
hierna te noemen: VGZ,
gemachtigde: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 mei 2024
- het definitief rapport bevindingen deskundige ontvangen op 23 januari 2025
- de e-mail van VGZ van 13 februari 2025
- de e-mail van [eiser] van 18 februari 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij tussenvonnis van 26 juli 2023 heeft de kantonrechter het voornemen geuit een deskundige te benoemen. Op 1 mei 2024 is als deskundige drs. K. Scheele benoemd. Op 29 mei 2024 is het voorschot voor de deskundige vastgesteld. De deskundige heeft, nadat zij partijen in de gelegenheid had gesteld te reageren op haar concept-rapport, haar definitieve rapport met bevindingen naar de kantonrechter gestuurd. Zowel [eiser] als VGZ heeft vervolgens per e-mail laten weten af te zien van het nemen van een conclusie na deskundigenbericht.
2.2.
In haar rapport beschrijft de deskundige het volgende:

(…) Beoordeling op aantoonbare lichamelijke functiestoornis
(…)
De bewegingsbeperking wordt in de werkwijzer als ernstig beoordeeld als de overhang van het huidsurplus ¼ deel van het bovenbeen bedekt. Bij een gemiddelde femurlengte van 38 cm bij de vrouw zou dit een overhang betekenen van 8-9 cm. Uit het spreekuurverslag verricht door de medisch adviseur van VGZ blijkt een overhang van 6 cm te zijn geconstateerd. Dit komt niet overeen met 1/4 bedekking van het bovenbeen. Uit de beoordeling van de foto’s kan eveneens worden opgemaakt dat er geen sprake is van overhang door het huidsurplus van de bovenbenen voor minimaal 1/4 deel van het bovenbeen.
(…)
Beoordeling op basis van verminking
(…)
Voor de lower body lift wordt niet voldaan aan de criteria van verminking volgens de PRS zoals beschreven in de Werkwijzer beoordeling behandelingen van plastisch chirurgische aard 2021.
(…)
Antwoorden op de vragen
(…) er is bij verzekerde géén sprake van verminking met graad 3 op basis van de
Pittsburgh Rating Scale tav de verschillende lower body lichaamsdelen zoals benoemd in de
aanvraag, te weten: abdomen (buik), billen, flanken, laterale dijen of mons pubis. Dit is
beoordeeld aan de hand van de foto’s van de Pittsburgh Rating Scale zoals opgenomen in de Werkwijzer beoordeling behandelingen van plastisch chirurgische aard 2021 EN aan de hand van de tabel begeleidende tekst van het artikel van Song, zoals ook benoemd in het standpunt van het Zorginstituut omtrent de aanspraak van de Lower body Lift.
(…)
er is bij mw [eiser] geen sprake van een aantoonbare lichamelijke functiestoornis. Er is geen sprake van chronisch smetten, zoals door de plastisch chirurg beschreven en hetgeen niet is bestreden. Er is tevens geen sprake van een ERNSTIGE bewegingsbeperking zoals beschreven in de Werkwijzer beoordeling behandelingen van plastisch chirurgische aard 2021. De door mw [eiser] genoemde klachten zijn invoelbaar en navolgbaar, voldoen echter niet aan de vastgestelde voorwaarden van een aantoonbare lichamelijke functiestoornis.
(…)
2.3.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De deskundige heeft geconcludeerd dat bij [eiser] geen sprake is van PRS 3 (en dus niet van verminking) en dat geen sprake is van een aantoonbare lichamelijke functiestoornis. Zij heeft dit goed gemotiveerd. De kantonrechter neemt haar bevindingen over. Dat betekent dat de aanvraag om een machtiging, door de behandelaar van [eiser] , niet navolgbaar was en dat VGZ de aanvraag dus heeft mogen afwijzen. [eiser] heeft geen recht op vergoeding van de kosten voor een lower body lift/abdominoplastiek. Haar vorderingen worden afgewezen.
2.4.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief deskundigenkosten en nakosten) betalen. De proceskosten van VGZ worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.357,50
(2,5 punten × € 543,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
totaal
1.492,50
2.5.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.492,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025.
520 / 40141