Verzoeker diende in juni 2024 een verzoek in tot opheffing van bewind en mentorschap. Na een lange periode zonder uitspraak, diende verzoeker op 15 februari 2025 een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter wegens vermeende vooringenomenheid.
De wrakingskamer constateerde dat op 18 februari 2025, tijdens de verwerking van het wrakingsverzoek, een einduitspraak in de hoofdzaak was gedaan. Hierdoor kruisten het wrakingsverzoek en de einduitspraak elkaar.
Omdat de hoofdzaak met de einduitspraak was afgerond, was het doel van het wrakingsverzoek, namelijk de vervanging van de rechter, achterhaald. De wrakingskamer kan geen wraking uitspreken in een reeds beëindigde zaak en wees het verzoek daarom af zonder mondelinge behandeling.
Verzoeker werd verzocht te reageren op het handhaven van het wrakingsverzoek na de einduitspraak, maar gaf geen reactie. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.