ECLI:NL:RBGEL:2025:2518

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 maart 2025
Publicatiedatum
1 april 2025
Zaaknummer
10839072
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:204 BWArt. 7:206 BWArt. 7:207 BWArt. 7:208 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding wegens lekkage door oneigenlijk rioolgebruik

De huurder heeft van 2014 tot 2023 een woning gehuurd van de verhuurder. Na onderhoudswerkzaamheden in november 2022 ontstond lekkage door een verstopping in het riool, veroorzaakt door oneigenlijk gebruik van de huurders van de bovengelegen woning. De huurder vorderde vergoeding van gederfd woongenot en overige schade.

De rechtbank beoordeelde of de verstopping een gebrek was in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW Pro, waardoor de verhuurder gehouden zou zijn tot herstel en schadevergoeding. Uit onderzoek bleek dat de verstopping werd veroorzaakt door hydrofiele luiers, een feitelijke stoornis door derden, waardoor geen sprake was van een gebrek volgens artikel 7:204 lid 3 BW Pro.

De verstopping werd direct verholpen en de lekkage was daarmee opgelost. De vorderingen van de huurder werden daarom afgewezen. De huurder werd veroordeeld in de proceskosten van €357,00. De kantonrechter oordeelde dat de omstandigheden rondom de procedure voor rekening van de huurder komen.

Uitkomst: De vorderingen van de huurder worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten van €357,00.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 10839072 \ CV EXPL 23-9088 \ 48073 \ 44356 \ 53854
Vonnis van 26 maart 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A.A. Bhagwandin,
procederend krachtens toevoeging met kenmerk 3LX6958
tegen
de stichting
[gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. R. Boekhoff.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 maart 2024 en de daarin genoemde processtukken;
- de producties A tot en met I van de zijde van [eiser] ;
- de mondelinge behandeling van 6 januari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
In de periode van 1 oktober 2014 tot en met 29 juni 2023 huurde [eiser] de woning aan [adres 1] van [gedaagde] .
2.2.
In november 2022 is onderhoud uitgevoerd aan de woning van [eiser] bestaande uit, onder andere, het vernieuwen van de standleiding, badkamer, toilet en het leiding- en tegelwerk in de keuken. Na de onderhoudswerkzaamheden is lekkage in het gehuurde ontstaan als gevolg van een verstopping van het riool.

3.De vordering en het verweer

3.1.
[eiser] vordert, na eiswijziging, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van het door [eiser] geleden gederfd woongenot begroot op € 1.208,00;
- [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de overige schade van
€ 2.443,93;
- [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat na de onderhoudswerkzaamheden in het najaar van 2022 lekkage in haar woning is ontstaan en dat zij hierdoor schade heeft geleden. Op grond van artikel 7:204 e.v. BW is [gedaagde] gehouden deze schade te vergoeden.
3.3.
[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Allereerst dient beoordeeld te worden of de verstopping in het gehuurde kan worden aangemerkt als een gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW Pro. Immers op grond van het bepaalde in artikel 7:206 lid 1 BW Pro is de verhuurder verplicht op verlangen van de huurder gebreken te verhelpen, kan de huurder op grond van artikel 7:207 lid 1 BW Pro in geval sprake is van een vermindering van het huurgenot als gevolg van een gebrek een vermindering van de huurprijs vorderen en is op grond van artikel 7:208 BW Pro de verhuurder gehouden tot vergoeding van de door een gebrek veroorzaakte schade.
4.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 7:204 lid 2 BW Pro is een gebrek een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft. Het derde lid bepaalt evenwel dat een feitelijke stoornis door een derde zonder bewering van recht niet als een zodanig gebrek kwalificeert.
4.3.
In de onderhavige kwestie is niet in geschil dat de in het najaar 2022 geconstateerde lekkage het gevolg was van een verstopping in de rioolafvoerleiding van [gedaagde] . Op de dag van de melding is [bedrijf 1] door [gedaagde] ingeschakeld om de oorzaak van de verstopping te achterhalen en de verstopping te verhelpen. [bedrijf 1] heeft door middel van een camera-inspectie geconstateerd dat de verstopping werd veroorzaakt door hydrofiele luiers. Na het verhelpen van de verstopping is een schoonmaakbedrijf ingeschakeld om de vloeren van het toilet, de gang en de keuken te reinigen. [gedaagde] heeft destijds geconcludeerd dat de verstopping het gevolg was van oneigenlijk gebruik van het rioolsysteem door de huurders van de bovengelegen woning. Door [eiser] zijn geen andere oorzaken gesteld. Met [gedaagde] is de kantonrechter dan ook van oordeel dat een zodanig verstopping dient te worden beschouwd als een feitelijke stoornis in de zin van artikel 7:204 lid 3 BW Pro, zodat in zoverre geen sprake is van een gebrek als bedoeld in het tweede lid van dat artikel. Voor zover de lekkage zelf als gevolg van de verstopping kan worden aangemerkt als een gebrek, geldt dat dat gebrek direct is verholpen door [bedrijf 1] .
4.4.
Gelet op het vorenstaande is er, nu er niet van een gebrek kan worden uitgegaan, geen grondslag voor de toewijzing van het door [eiser] gevorderde. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen en de overige verweren van [gedaagde] kunnen onbesproken blijven.
4.5.
Tijdens de zitting is namens [eiser] aangevoerd dat zij de procedure is gestart na het inwinnen van advies bij haar toenmalige advocaat mr. J.P. van Veenendaal. Mr. Bhagwandin heeft op verzoek van de deken deze procedure overgenomen nadat mr. Van Veenendaal onvindbaar bleek te zijn en van het tableau is geschrapt. Hoewel mr. Bhagwandin heeft geprobeerd een minnelijke regeling te treffen om een einduitspraak te voorkomen, is dit niet gelukt. Deze omstandigheden komen naar het oordeel van de kantonrechter echter voor rekening en risico van [eiser] en leveren geen grond op om de proceskosten te compenseren. Omdat [eiser] in het ongelijk is gesteld moet zij daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen
.De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
238,00
(1 punt × € 238,00)
- nakosten
119,00
Totaal
357,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 357,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op
26 maart 2025.