Partijen sloten op 31 mei 2021 een onderhuurovereenkomst voor een bedrijfshal binnen een bedrijfspand. De huurovereenkomst bevatte een bepaling die het onderverhuurder toestond de onderhuurovereenkomst op te zeggen indien het bedrijfspand als geheel aan een derde partij kon worden verhuurd.
Eiser heeft de onderhuurovereenkomst opgezegd per 1 juni 2023, nadat verhuurder een derde partij had gevonden voor het gehele pand. Gedaagde betwistte de geldigheid van de opzegging en vorderde schadevergoeding wegens onrechtmatige opzegging. Tevens was er een geschil over achterstallige huur en rente.
De rechtbank oordeelde dat gedaagde partij is bij de onderhuurovereenkomst en dat de opzeggingsbepaling rechtsgeldig is toegepast. De tekst moet worden uitgelegd conform de Haviltex-norm, waarbij de bedoeling van partijen en redelijkheid en billijkheid centraal staan. Er was geen sprake van misbruik van bevoegdheid of onredelijkheid. De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen.
De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van de huurachterstand en buitengerechtelijke incassokosten, maar wijst de gevorderde handelsrente af omdat geen sprake is van een handelsovereenkomst. De wettelijke rente wordt toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.