Eiseres maakte bezwaar tegen het besluit van de minister van Financiën om haar private schuld bij een financiële instelling niet over te nemen in het kader van de Wet herstel toeslagen. De minister stelde dat de schuld niet opeisbaar was omdat deze niet was opgeëist vóór 1 juni 2021.
De rechtbank oordeelde dat opeisbaarheid volgens het civiele recht betekent dat de schuldeiser nakoming kan vorderen vanaf een afgesproken termijn, ongeacht of een opeisingshandeling heeft plaatsgevonden. Uit de stukken bleek dat er vanaf 24 november 2020 betalingsachterstanden bestonden, waardoor de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar was.
De rechtbank stelde vast dat de minister onvoldoende onderliggende stukken had overgelegd en besloot zelf in de zaak te voorzien. De minister werd veroordeeld de schuld van € 798,49 volledig over te nemen en de proceskosten van eiseres te vergoeden. Het beroep werd gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.