ECLI:NL:RBGEL:2025:3193

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 april 2025
Publicatiedatum
24 april 2025
Zaaknummer
05/210511-23
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen en medeplichtigheid poging tot oplichting bankhelpdeskfraude

De rechtbank Gelderland heeft verdachte vrijgesproken van medeplegen en medeplichtigheid aan poging tot oplichting door middel van bankhelpdeskfraude. Verdachte werd ervan verdacht samen met een medeverdachte betrokken te zijn bij het benaderen van een slachtoffer, waarbij onder meer pinpassen en pincodes werden gevraagd en een beveiligingscode werd doorgegeven.

De tenlastelegging omvatte het medeplegen van een poging tot oplichting en subsidiair medeplichtigheid, waarbij verdachte samen met medeverdachte naar het adres van het slachtoffer zou zijn gereden. Verdachte ontkende kennis te hebben van de oplichtingspraktijken van medeverdachte en verklaarde niet te weten wat medeverdachte bij het slachtoffer ging doen.

De rechtbank oordeelde dat de bewijsvoering onvoldoende was om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat verdachte wetenschap had van de oplichting. Berichten van verdachte aan derden waren onvoldoende om haar betrokkenheid en kennis te bewijzen. Daarom werd verdachte vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van wetenschap omtrent de oplichting.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/210511-23
Datum uitspraak : 22 april 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] .
raadsvrouw: mr. A.M. van Wingerden, advocaat in Eindhoven.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 13 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten het afgeven van een pinpas en/of pincode,
- naar voornoemde [slachtoffer] heeft gebeld,
- zich voor heeft gedaan als een medewerker van de bank,
- aan heeft gegeven dat er een probleem was met de rekening,
- aan heeft gegeven dat iemand de pinpas op zou komen halen,
- aan voornoemde [slachtoffer] een beveiligingscode, althans enige code, heeft gegeven,
- aan voornoemde [slachtoffer] , de bijbehorende pincodes heeft gevraagd,
- naar de woning van voornoemde [slachtoffer] is gegaan,
- zich voor heeft gedaan als medewerker van de bank,
- voornoemde beveiligingscode, althans enige code, aan voornoemde [slachtoffer] door heeft gegeven en/of
- een envelop van voornoemde [slachtoffer] aan heeft genomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven mededaders, op 13 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door voornoemde [medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met elkaar met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet
doen van een inschuld, te weten het afgeven van een pinpas en/of pincode, immers hebben voornoemde [medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven mededaders
- naar voornoemde [slachtoffer] gebeld,
- zich voorgedaan als een medewerker van de bank,
- aangegeven dat er een probleem was met de rekening,
- aangegeven dat iemand de pinpas op zou komen halen,
- aan voornoemde [slachtoffer] een beveiligingscode, althans enige code, gegeven,
- aan voornoemde [slachtoffer] , de bijbehorende pincodes gevraagd,
- zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer] begeven,
- zich voorgedaan als medewerker van de bank,
- voornoemde beveiligingscode, althans enige code, aan voornoemde [slachtoffer] doorgegeven en/of
- een envelop van voornoemde [slachtoffer] aangenomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, bij en tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 13 februari 2023 te [plaats] , opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft, door (met voornoemde [medeverdachte] ) naar het adres van voornoemde [slachtoffer] te rijden.

2.De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, te vervangen door 20 dagen vervangende hechtenis, waarvan 20 uren, te vervangen door 10 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en aftrek van het voorarrest.
De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit.

3.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Kort gezegd is aan verdachte primair tenlastegelegd het medeplegen van een poging tot oplichting door middel van bankhelpdeskfraude en subsidiair medeplichtigheid daaraan.
Verdachte is op 13 februari 2023 aangehouden in [plaats] , waar zij in een auto op de parkeerplaats bij een seniorenflat zat. Zij is daarheen gereden met medeverdachte [medeverdachte] , die bij de woning van aangever [slachtoffer] werd aangehouden nadat zij een envelop met pinpassen in ontvangst had genomen.
Uit het dossier volgt dat verdachte op 12 en 13 februari 2023 berichten heeft gestuurd naar haar moeder en twee anderen waarin zij zegt dat zij met medeverdachte [medeverdachte] zou gaan werken. In een Snapchatbericht van 13 februari 2023 schrijft zij dat zij voor haar werk niet veel hoeft te doen.
Verdachte heeft op de zitting van 8 april 2025 verklaard dat zij die dag (13 februari 2023) niet goed in haar vel zat, omdat zij de dag ervoor door haar ex-vriendje is mishandeld. Om daarover niet met anderen te hoeven praten, heeft zij gelogen dat zij met medeverdachte [medeverdachte] zou gaan werken. Als zij aan haar moeder had verteld dat zij met medeverdachte zou gaan chillen in de stad, zoals zij aan de politie heeft verklaard, had dit niet gemogen.
Verdachte heeft verklaard dat zij niet wist wat medeverdachte [medeverdachte] bij het adres van aangever [slachtoffer] ging doen. Omdat zij niet goed in haar vel zat, heeft zij ook niet bij [medeverdachte] doorgevraagd waarom zij naar dit adres reden en wat medeverdachte [medeverdachte] daar ging doen.
De rechtbank stelt voorop dat voor zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde vereist is dat verdachte wetenschap moet hebben gehad van wat medeverdachte [medeverdachte] bij de woning van aangever [slachtoffer] ging doen en dat sprake was van oplichting.
De rechtbank is van oordeel dat deze wetenschap aan de hand van het dossier en het onderzoek op de zitting niet kan worden vastgesteld. De hiervoor genoemde berichten die verdachte heeft gestuurd, zijn onvoldoende om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat verdachte heeft geweten dat medeverdachte [medeverdachte] naar de woning van [slachtoffer] ging om pinpassen op te halen. Dit betekent dat verdachte wordt vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde

4.De beslissing

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S.W. Lucassen (voorzitter), mr. W.H.S. Duinkerke en mr. C.L.A. van der Veeken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.I. Tuk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 april 2025.
Mr. Duinkerke is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.