Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van omwonenden tegen de door het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een garage die het maximumaantal vierkante meters aan bijgebouwen overschrijdt. Het college had de vergunning verleend op basis van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan “Groot Zonnehoeve”.
De eisers stelden dat het college ten onrechte de bijkeuken en het kattenverblijf buiten beschouwing had gelaten bij de berekening van de oppervlakte, waardoor de overschrijding groter zou zijn dan toegestaan. De rechtbank oordeelde echter dat de bijkeuken onderdeel is van de woning en niet als bijgebouw kwalificeert, en dat het kattenverblijf niet meer aanwezig was ten tijde van het besluit. De overschrijding van 5,1 m² viel binnen de toegestane afwijking van 10%.
Daarnaast voerden eisers aan dat het college onvoldoende rekening had gehouden met de gevolgen voor de ruimtelijke ordening, zoals het ontbreken van een uitrit en de verkeersveiligheid. De rechtbank stelde dat de belangenafweging van het college niet onredelijk was en dat de aanleg van een uitrit een zelfstandige vergunningplicht kent, die los staat van de omgevingsvergunning voor de garage.
De rechtbank concludeerde dat het college de vergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen en verklaarde het beroep ongegrond. Eisers krijgen geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.