Uitspraak
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
Rechtbank Gelderland
In deze civiele zaak over aanneming van werk staat de vraag centraal of de gezamenlijke gedaagden de door eiser gefactureerde meerwerkposten moeten betalen volgens artikel 7:755 BW Pro. De procedure omvatte een tussenvonnis en diverse schriftelijke uitlatingen, waarna de kantonrechter op 14 mei 2025 uitspraak deed.
De kantonrechter beoordeelde per meerwerkpost of sprake was van een door gedaagden gewenste toevoeging of verandering in het overeengekomen werk en of zij tijdig waren gewezen op de noodzaak van een prijsverhoging. Voor sommige posten, zoals het afkoppelen van standleidingen, werd betaling toegewezen omdat dit meerwerk was dat gedaagden hadden gewenst. Andere posten, zoals het demonteren van een geiser en aanleg van een nieuwe waterleiding, werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of omdat het geen meerwerk betrof.
De kantonrechter stelde het toe te wijzen bedrag aan meerwerk vast op € 9.416,29, inclusief wettelijke rente. Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten van € 800,00 toegewezen en de proceskosten van € 1.049,80 aan gedaagden opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
Uitkomst: Gezamenlijke gedaagden worden veroordeeld tot betaling van € 9.416,29 aan meerwerk, € 800 aan incassokosten en proceskosten.