Belanghebbende ontving in 2020 een uitkering van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule die oorspronkelijk een expiratiedatum in 2013 had, maar volgens gegevens van de verzekeraar in 2020 is geëxpireerd. Belanghebbende stelde dat de polis al in 2013 was geëxpireerd en dat de uitkering als periodieke uitkering in 2014 had moeten worden belast, of subsidiar dat de saldomethode toegepast moest worden.
De rechtbank stelt vast dat het aan belanghebbende is om duidelijkheid te verschaffen over de expiratiedatum, en dat uit de verzekeringsgegevens volgt dat de polis in 2020 is geëxpireerd. De uitkering in 2020 moet daarom worden belast als periodieke uitkering op grond van het overgangsrecht in de Invoeringswet Wet IB 2001 en de Wet IB 1964.
Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat toepassing van de saldomethode leidt tot een lagere heffingsgrondslag, mede omdat hij geen inzicht heeft gegeven in de daadwerkelijk betaalde premies. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de aanslag en belastingrente.
De uitspraak bevestigt dat de uitkering uit een Pre-Brede Herwaarderingslijfrentepolis als inkomsten uit vermogen wordt belast en benadrukt het belang van voldoende bewijs bij het betwisten van de expiratiedatum en toepassing van de saldomethode.