Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2025:4171

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 mei 2025
Publicatiedatum
2 juni 2025
Zaaknummer
05/308593-24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van belaging ondanks meerdere communicatiepogingen

De rechtbank Gelderland behandelde een zaak waarin een 51-jarige man werd verdacht van belaging jegens twee slachtoffers door het sturen van diverse berichten via e-mail, sms, WhatsApp, Facebook en het verzenden van kaarten en brieven. De officier van justitie vorderde een voorwaardelijke gevangenisstraf met taakstraf en een contact- en locatieverbod.

De verdachte erkende slechts enkele sms-berichten en brieven te hebben verzonden, maar ontkende de overige berichten. De rechtbank vond onvoldoende bewijs dat verdachte de overige berichten had verzonden, mede omdat de politie geen volledig forensisch onderzoek had verricht en de mogelijkheid bestond dat een van de slachtoffers toegang had tot het e-mailaccount van verdachte.

De rechtbank oordeelde dat de vereiste stelselmatigheid voor belaging niet was vastgesteld. Ook de civiele schadevergoedingsvorderingen van beide slachtoffers werden afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid. De verdachte werd vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van stelselmatige belaging.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/308593-24
Datum uitspraak : 28 mei 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] , [postcode] in [woonplaats] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 juni 2024 t/m 30 augustus 2024 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] door die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] :
- met verschillende e-mailadressen veelvuldig e-mailberichten te sturen (al dan niet met bedreigende, intimiderende inhoud en/of beledigende inhoud),
- met verschillende telefoonnummers (via sms en/of Whatsapp) berichten te sturen,
- met verschillende accounts via Facebook berichten te sturen,
- meerdere keren te bellen en/of
- meerdere kaarten en/of brieven te sturen,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

2.De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde belaging ten aanzien van aangever [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen kan worden, met dien verstande dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het versturen van kaarten en het verzenden van berichten via Facebook en Instagram. De officier van justitie heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de tenlastegelegde belaging van aangeefster [slachtoffer 1] . Er is geen sprake van de vereiste stelselmatigheid.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaren met daarbij een taakstraf van 70 uur. Daarnaast heeft de officier van justitie een artikel 38v Sr maatregel gevorderd inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en een locatieverbod voor [plaats 2] en de [adres 2] te [plaats 1] . De officier van justitie vordert tot slot de dadelijke uitvoerbaarheid van deze artikel 38v Sr maatregel.
De verdachte heeft om vrijspraak verzocht.

3.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Aangever [slachtoffer 2] heeft op 14 augustus 2024 aangifte gedaan van belaging. Uit de aangifte volgt dat verdachte hem via verschillende sociale mediakanalen (WhatsApp, Facebook en Instagram), zou hebben benaderd en veelvuldig berichten zou hebben gestuurd. Daarnaast zouden veelvuldig berichten zijn verzonden via e-mail en SMS. Deze berichten waren (deels) dreigend van aard. Daarnaast zou verdachte hem meerdere kaarten van dreigende aard hebben gestuurd.
Aangeefster [slachtoffer 1] heeft op 26 augustus 2024 ook aangifte van belaging gedaan. Uit de aangifte volgt dat verdachte haar via verschillende kanalen berichten zou hebben gestuurd, met name via e-mail en brieven.
Verdachte zou deze berichten naar aangever [slachtoffer 2] en aangeefster [slachtoffer 1] hebben gestuurd, nadat verdachte erachter kwam dat aangeefster een nieuwe relatie had. Ten laste zijn gelegd de berichten die verdachte zou hebben verzonden, nadat de politie had geprobeerd op 24 juni 2024 met aangever een stopgesprek te houden en op 25 juni 2024 met verdachte had gesproken.
Verdachte heeft erkend dat hij een tweetal (SMS-)berichten heeft verzonden aan [slachtoffer 2] en een aantal brieven aan [slachtoffer 1] . Verdachte ontkent dat hij de overige berichten heeft verzonden. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat de overige berichten die in de aangiftes worden aangehaald binnen de tenlastegelegde periode, daadwerkelijk door verdachte zijn verzonden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Aangever [slachtoffer 2]
Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte hem onder meer verschillende SMS- en WhatsApp-berichten heeft verzonden. Aangever [slachtoffer 2] heeft bij zijn aangifte verschillende screenschots toegevoegd van deze berichten. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat bijna alle SMS-berichten niet meer zichtbaar waren op de telefoon van aangever. Aangever beschikte ook niet meer over de WhatsApp-berichten. Uit een eerste onderzoek van de politie naar de data op beide telefoons van verdachte blijkt niet dat verdachte berichten naar aangever heeft verzonden.
Hier is vervolgens geen nader onderzoek naar gedaan.
De politie heeft vier e-mailheaders verzameld van de vermeend verzonden e-mails van verdachte aan aangever. Eén van deze e-mailberichten was bruikbaar voor onderzoek. Uit dit onderzoek is gebleken dat dit e-mailbericht is verzonden vanuit het outlook e-mailadres van verdachte. Er is echter geen nader onderzoek gedaan naar het IP-adres waarvandaan deze e-mail is verzonden. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat aangeefster [slachtoffer 1] de beschikking heeft over al zijn inloggegevens en dat het dus mogelijk is dat zij toegang heeft tot dit outlookaccount. Zij zou bekend zijn geweest met zijn inloggegevens, nu zij een jarenlange relatie hadden en samenwoonden. Nu deze verklaring niet op voorhand ongeloofwaardig is, kan de rechtbank hier niet aan voorbij gaan.
Dat verdachte de verschillende kaarten en berichten via Facebook zou hebben verstuurd wordt door geen enkel bewijsmiddel in het dossier ondersteund en is zodoende niet bewezen. Het versturen van berichten via Instagram is niet ten laste gelegd.
Gelet op het voorgaande is niet bewezen dat verdachte de overige (niet door verdachte erkende) berichten heeft verzonden. De rechtbank is van oordeel dat dit niet als stelselmatig kan worden gekwalificeerd. Voor stelselmatigheid is een bepaalde intensiteit, duur en/of frequentie nodig en daarvan is bij dit beperkte aantal berichten geen sprake.
De rechtbank zal verdachte, gelet op het bovenstaande, vrijspreken van de tenlastegelegde belaging van aangever [slachtoffer 2] .
Aangever [slachtoffer 1]
Verdachte heeft verklaard dat hij drie brieven aan aangeefster [slachtoffer 1] heeft gestuurd binnen de tenlastegelegde periode. Verdachte heeft ontkend dat hij (onder meer) berichten heeft verzonden via het contactformulier op de website van aangeefster. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen dat verdachte – naast de drie erkende brieven – berichten aan aangeefster heeft verzonden. De overige in de aangifte genoemde berichten vallen buiten de tenlastegelegde periode. Het verzenden van een drietal brieven voldoet niet aan de vereiste stelselmatigheid. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken voor de tenlastegelegde belaging van aangever [slachtoffer 1] .

4.De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 488,81 aan materiële schade en € 600,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 385,00 aan materiële schade en € 2.500,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Overweging van de rechtbank
Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in de vorderingen.

5.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.D. Leen (voorzitter), mr. G. Edelenbos en mr. A.M.P.T. Blokhuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 mei 2025.
Mr. R.D. Leen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.