De rechtbank Gelderland behandelde een zaak waarin verdachte werd verdacht van seksueel binnendringen en ontuchtige handelingen met een minderjarige van veertien jaar. Het primair tenlastegelegde seksueel binnendringen kon niet wettig en overtuigend worden bewezen, waarop verdachte daarvan werd vrijgesproken.
Voor het subsidiair tenlastegelegde, ontuchtige handelingen met een minderjarige, was er wel voldoende bewijs, maar omdat het bestanddeel 'buiten echt' uit de tenlastelegging ontbrak, kon dit feit niet strafbaar worden verklaard. Hierdoor werd verdachte voor dit feit ontslagen van alle rechtsvervolging.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van het slachtoffer consistent en betrouwbaar waren, en dat er steunbewijs was voor het subsidiaire feit. Echter, het ontbreken van het bestanddeel 'buiten echt' in de tenlastelegging maakte strafvervolging onmogelijk.
De civiele vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte niet werd veroordeeld en geen straf of maatregel werd opgelegd.
De uitspraak werd gedaan op 3 juni 2025 door een meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland te Zutphen.