De rechtbank Gelderland behandelde een geschil tussen twee erfgenamen over de omvang en opeisbaarheid van een vordering uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling na het overlijden van hun vader. De nalatenschap omvatte een woning, bankrekeningen, waaronder een Hongaarse rekening, en diverse schulden zoals een hypotheek en uitvaartkosten.
De rechtbank stelde vast dat de Hongaarse bankrekening wel tot de nalatenschap behoort, ondanks dat een derde de betaalpas had. De waarde van de nalatenschap werd berekend op €129.123,60, waarvan het erfdeel van eiseres werd vastgesteld op €59.810,39 na aftrek van schulden en kosten. De vordering van eiseres op gedaagde werd aldus vastgesteld.
Verder oordeelde de rechtbank dat gedaagde gehouden is tot betaling van eventuele boeterente wegens te late aangifte erfbelasting, maar dat de vordering uit hoofde van de vrijwaringsplicht nog niet opeisbaar is omdat geen aanspraak van derden is gemaakt. Ook werd toegewezen dat gedaagde de foutieve verklaring van erfrecht, waarin zij als enige bevoegd werd genoemd, moet inleveren en zich niet meer daarop mag beroepen.
De vorderingen van gedaagde tot vaststelling boedelbeschrijving en beëindiging vereffening werden afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.