ECLI:NL:RBGEL:2025:4705

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 mei 2025
Publicatiedatum
18 juni 2025
Zaaknummer
11592119
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • A.J. Weerkamp - Beens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet en ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen van werknemer

In deze zaak heeft de kantonrechter zich gebogen over de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet van een werknemer, [verzoeker], door zijn werkgever, [verweerder]. De werknemer was sinds 28 april 2023 in dienst en had zich per 2 januari 2025 voor 50% en op 8 januari 2025 volledig ziekgemeld. Op 8 januari 2025 heeft hij zonder toestemming spullen uit de bedrijfsbus gehaald en een spraakmemo verzonden naar collega's en opdrachtgevers waarin hij beledigende taal gebruikte. Na deze incidenten werd hij op 9 januari 2025 op non-actief gesteld. Op 10 januari 2025 heeft hij, ondanks de non-actiefstelling, het kantoor bezocht en personeel bedreigd. Dit leidde tot zijn ontslag op staande voet op 16 januari 2025. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag niet rechtsgeldig was, omdat er geen dringende reden was voor ontslag op staande voet. De rechter vernietigde het ontslag en oordeelde dat de arbeidsovereenkomst onverkort voortduurde. Echter, de rechter oordeelde ook dat de arbeidsovereenkomst ontbonden moest worden wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer, waarbij de werknemer geen recht had op een transitievergoeding. De kantonrechter heeft de werkgever veroordeeld tot betaling van het loon en de overuren van de werknemer, maar heeft de ontbinding van de arbeidsovereenkomst per heden uitgesproken.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: 11592119 \ HA VERZ 25-45
Beschikking van 26 mei 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij in het verzoek,
verwerende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. D. van Klinken,
tegen
[verweerder],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij in het verzoek,
verzoekende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. M.A. Krak.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift inclusief producties;
- het verweerschrift, tevens houdend een voorwaardelijk tegenverzoek, inclusief producties;
- het verweerschrift op het voorwaardelijk tegenverzoek.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 april 2025, waar partijen en hun gemachtigden zijn verschenen. De gemachtigde van [verzoeker] heeft het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen welke zijn overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] , geboren op 17 april 1974, is sinds 28 april 2023 op basis van een arbeidsovereenkomst (thans) voor onbepaalde tijd in dienst bij [verweerder] . De functie van [verzoeker] is monteur met een loon van € 3.459,52 bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld en overige emolumenten.
2.2.
Op de arbeidsovereenkomst is de cao Metaal en Techniek (Technisch Installatiebedrijf) van toepassing.
2.3.
[verzoeker] heeft zich per 2 januari 2025 voor 50% en op 8 januari 2025 volledig ziekgemeld. Hij heeft zijn bedrijfsbus die dag moeten inleveren.
2.4.
Op 8 januari 2025 heeft [verzoeker] enkele zaken uit de bedrijfsbus gehaald terwijl deze bij de woning van collega [naam 1] geparkeerd stond.
2.5.
[verzoeker] heeft op diezelfde dag een spraakmemo opgenomen en verspreid onder collega’s en opdrachtgevers van [verweerder] . In deze spraakmemo is het volgende opgenomen:
“Beste collega’s, ik ben in de ziektewet. Ik word al een hele tijdje bedreigd door [naam 2] . Jullie weten er wel van, maar goed. Ik heb net in ieder geval mijn eigen spullen uit de bus gehaald, omdat [naam 2] en [naam 1] niet wouden teruggeven. [naam 1] zit schijnheilig thuis, die zat zogenaamd in België in een condoleance. Dat is die Kontenlikker. Nou zit [naam 2] mij de hele tijd te bedreigen met de politie. Ik zei ja nou is goed kom maar op. Maar het zijn mijn eigen spullen, ik heb alles opgehaald. (….) en nu gaat hij het op mijn afgooien omdat ik in de ziektewet zit, omdat hij daar op moet verdienen heeft hij zelf maandag gezegd, dankjewel. Fijne avond. Ik hoop dat jullie het veel naar je zin hebt daaro op dat bedrijf. Ik wacht wel af. Doei. Beste collega's, succes.”
2.6.
[verzoeker] is op 9 januari 2025 op non-actief gesteld vanwege zijn handelen op
8 januari 2025. In de e-mail van 9 januari 2025 van [verweerder] aan [verzoeker] staat hierover het volgende:
“(…)
Vervolgens heeft u middels WhatsApp contact gezocht met collega [naam 1] , die in de bedrijfsbus reed waar u normaliter in rijdt. U wilde koste wat kost uw spullen eruit halen, omdat u ze thuis nodig had. U bent [naam 1] blijven lastigvallen middels oproepen en berichten, ondanks dat [naam 1] meermaals heeft aangegeven niet langs de zaak te komen en niet thuis te zijn.
Vervolgens besloot u het heft in eigen handen te nemen en met een rode pick-up, die overigens op camera staat, bij [naam 1] thuis langs te gaan. U heeft vervolgens de bedrijfsbus overhoop gehaald en daarbij 2 gele freesschijven, 1 rode/blauwe freesschijf, een
steeksleutels en een knipsschaar. Dit zijn bedrijfseigendommen. Alleen de knipschaar behoorde tot uw eigendom. Ook is de Samsung Galaxy A14 nog in uw bezit, dit is ook een bedrijfseigendom. Dit alles heeft een nieuwwaarde van €460,36.
U heeft in een spraakmemo toegegeven dat u in de bedrijfsbus bent geweest, die u open heeft gemaakt met de reservesleutel die u zonder toestemming mee hebt genomen van kantoor. In dezelfde spraakmemo beledigt u collega [naam 1] door hem 'kontenlikker’ te
noemen. Deze spraakmemo heeft u ook naar drie opdrachtgevers gestuurd. Dit is u zeer ernstig aan te rekenen én dergelijke misdragingen kunnen wij niet accepteren.
(…)
Naar aanleiding van voornoemde incidenten die getuigen van ernstig verwijtbaar gedrag, bevestigen wij u hierbij dat wij u voor een periode van 8 dagen op non-actief stellen, te weten per heden tot en met donderdag 18 januari 2025. Uw non-actiefstelling houdt in
dat u tijdens de voornoemde periode geen werkzaamheden mag uitvoeren ten behoeve van [verweerder] Tevens mag u op geen enkele andere wijze inspanningen namens [verweerder] verrichtten. Daarbij mag u per direct geen contact opnemen met collega's en opdrachtgevers van [verweerder] De reden van de non-actiefstelling is dat [verweerder] een onderzoek wil starten naar uw ernstige misdragingen. Uw loon zullen wij gedurende deze periode doorbetalen.
Wij nodigen u uit om aanstaande maandag 13 januari 2025 om 09.00 uur op kantoor te verschijnen om uw visie op bovenstaande verhaal te geven.
(…)
Wij wijzen u erop dat uw gedragingen gevolgen kunnen hebben voor uw dienstverband. Een ontslag op staande voet behoort hierbij tot de mogelijkheden.”
2.7.
Op 10 januari 2025 ontvangt [verzoeker] een officiële waarschuwing vanwege een voorval eerder op die dag:
“Vandaag op 10 januari 2025 ben jij op kantoor verschenen met enkele andere personen om [naam 2] en [naam 1] op te zoeken. Beiden waren vandaag niet op kantoor aanwezig. De broer van [naam 2] was wel aanwezig op kantoor. Jij hebt de broer van [naam 2] telefonisch gesproken en hierbij [naam 2] en personeel bedreigt. De broer van [naam 2] heeft jou aan de telefoon horen zeggen dat jij [naam 2] thuis gaat opzoeken.
Ondanks de non-actiefstelling die op 9 januari 2025 is ingegaan voor een periode van 8 dagen inhoudende dat jij ook niet op het werk mag verschijnen, ben jij alsnog op kantoor verschenen om personeel én [naam 2] te bedreigen. Jouw gedragingen vandaag hebben de situatie verder op scherp gezet. [verweerder] heeft een zorgplicht naar haar medewerkers voor een veilige werkomgeving. Wij zullen verdere bedreigingen niet meer tolereren.
Wij geven jouw één laatste kans en nodigen je ondanks dit incident nog steeds uit om aanstaande maandag 13 januari 2025 om 09.00 uur op kantoor te verschijnen om jouw kant van het verhaal toe te lichten. Hierbij nogmaals het nadrukkelijk verzoek om in de periode per heden tot en met maandag 09.00 uur geen contact te zoeken met collega's dan wel directie van [verweerder]
Het eerstvolgende incident dat plaatsvindt zullen wij niet meer tolereren. Wij kiezen voor de veiligheid van het bedrijf en personeel. Dat betekent voor jou dat wij direct over zullen gaan op ontslag op staande voet.
Wij vertrouwen erop dat jij hiermee voldoende gewaarschuwd bent én dat jij geen ontoelaatbaar gedrag meer zal vertonen.”
2.8.
Op 13 januari 2025 heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden.
2.9.
Op 16 januari 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de schriftelijke bevestiging staat het volgende:
“Met deze brief bevestigen wij u dat u per vandaag 16 januari 2025 met onmiddellijke ingang op staande voet bent ontslagen. De reden hiervoor is dat u zich ernstig heeft misdragen, waarbij u de veiligheid van collega’s én directie van [verweerder]
in gevaar hebt gebracht, bedrijfseigendommen mee hebt genomen zonder toestemming én opdrachtgevers van [verweerder] betrokken hebt bij deze kwestie. Alle feiten en omstandigheden omtrent uw ernstige misdragingen worden onderstaand toegelicht. Deze consequentie vloeit voort uit het onderzoek dat wij hebben gedaan tijdens uw non-actiefstelling, zoals reeds schriftelijk aan u is bevestigd. Het onderzoek hebben wij vandaag als afgerond beschouwd.
(…)
Vervolgens heeft u middels WhatsApp contact gezocht met collega [naam 1] , die in de werkbus reed waar u normaliter in reed. U wilde koste wat kost uw spullen eruit halen, omdat u ze thuis nodig had. U bent collega [naam 1] blijven lastigvallen middels oproepen en berichten, ondanks dat collega [naam 1] meermaals had aangegeven niet langs de zaak te komen én niet thuis te zijn.
Vervolgens besloot u het heft in eigen handen te nemen en met een rode pick-up, die overigens op camera staat, bij collega [naam 1] thuis langs te gaan. U heeft vervolgens de werkbus overhoopgehaald en daarbij 2 gele freesschijven, 1 rode/blauwe freesschijf, een knipschaar en nog wat handgereedschap weggehaald. Dit zijn bedrijfseigendommen. Alleen de knipschaar behoorde tot uw eigendom.
U heeft in een spraakmemo toegegeven dat u in de werkbus bent geweest, die u open heeft gemaakt met de reservesleutel die u zonder toestemming mee hebt genomen van kantoor. In dezelfde spraakmemo beledigt u collega [naam 1] door hem ‘kontenlikker’ te noemen. Deze spraakmemo heeft u ook naar enkele van onze opdrachtgevers gestuurd. Dit is u zeer ernstig aan te rekenen én dergelijke misdragingen kunnen wij niet accepteren.
De heer [naam 2] heeft meermaals geprobeerd op een degelijke manier met u te communiceren en afspraken te maken echter bleek u hiertoe niet in staat. Op 9 januari 2025 is uw echtgenote langsgekomen op kantoor om een aantal bedrijfseigendommen terug te geven. Dit betrof het lasapparaat met laskap en gascilinder, een bladblazer, de sleutel van de zaak en de reservesleutel van de werkbus van [verweerder] U heeft nog steeds onterecht bedrijfsmiddelen in uw bezit die u niet heeft ingeleverd.
Naar aanleiding van voornoemde incidenten die getuigen van ernstig verwijtbaar gedrag, bent u op 9 januari 2025 op non-actief gesteld voor een periode van 8 dagen, tot en met donderdag 16 januari 2025. Een bevestiging van deze non-actiefstelling’ heeft u per e-mail, gewone post én aangetekende post ontvangen. De non-actief stelling hield in dat u tijdens de voornoemde periode geen werkzaamheden mocht uitvoeren ten behoeve van [verweerder] en op geen enkele andere wijze inspanningen namens [verweerder] mocht verrichten. Tevens mocht u in deze periode geen contact opnemen met collega’s en opdrachtgevers van [verweerder] zodat [verweerder] het onderzoek naar uw gedragingen kon uitvoeren.
De reden voor deze non-actiefstelling was dat [verweerder] een onderzoek wilde doen naar uw ernstige misdragingen. Uw loon is gedurende deze periode doorbetaald. U bent door ons uitgenodigd om op 13 januari 2025 om 09.00 uur op kantoor te verschijnen om uw visie op het verhaal te geven. Tevens hebben wij u gewezen op het advies van de bedrijfsarts op 27 november 2024, waarbij de bedrijfsarts geoordeeld heeft dat u de volledige contracturen kan werken, maar dan met aangepaste werkzaamheden én dat wij ervan uitgaan dat u bij de afspraak met de bedrijfsarts van 10 januari 2025 om 09.00 aanwezig zou zijn. In deze brief bent u erop gewezen dat uw gedragingen gevolgen kunnen hebben voor uw dienstverband en dat een ontslag op staande voet behoort tot de mogelijkheden.
Vervolgens besloot u op 10 januari 2025 - ondanks uw non-actiefstelling - op kantoor te verschijnen met enkele andere personen om de heer [naam 2] en collega [naam 1] op te zoeken. Beiden waren niet op kantoor aanwezig. De broer van de heer [naam 2] was wel aanwezig op kantoor. U heeft de broer van de heer [naam 2] telefonisch gesproken en hierbij zowel de heer [naam 2] als het personeel bedreigd. De broer van de heer [naam 2] heeft u horen zeggen dat u de heer [naam 2] thuis zou gaan opzoeken, waarbij u riep: 'kom op jongens, we gaan. 'De broer van de heer [naam 2] zag u vervolgens in een auto wegrijden van het bedrijventerrein in een auto met een Pools kenteken.
Ondanks uw non-actiefstelling die op 9 januari 2025 is ingegaan voor een periode van 8 dagen inhoudende dat u ook niet op het werk mag verschijnen, bent u alsnog op kantoor verschenen om personeel én directie te bedreigen. Uw gedragingen op 9 januari 2025 hebben de situatie verder op schept gezet. Hiervoor bent u op 9 januari 2025 officieel gewaarschuwd.
[verweerder] heeft u één laatste kans gegeven en u ondanks uw misdragingen uitgenodigd om 13 januari 2025 om 09.00 alsnog op kantoor te verschijnen om uw kant van het verhaal toe te lichten. Dit gesprek heeft niet geleid tot nieuwe inzichten.
Het onderzoek van [verweerder] behelsde het horen van personeel en navraag doen bij opdrachtgevers. De afgelopen dagen heeft [verweerder] dan ook verschillende personeelsleden en opdrachtgevers gesproken. Het onderzoek is momenteel nog steeds in gang en [verweerder] is momenteel nog in afwachting van de schriftelijke input van de laatste opdrachtgevers, welke opdrachtgevers telefonisch al hebben bevestigd dat u hen heeft benaderd. De laatste personeelsleden zijn vandaag gesproken.
[verweerder] heeft een zorgplicht naar haar medewerkers voor een veilige werkomgeving. Alle medewerkers van [verweerder] hebben verklaard dat zij zich niet meer veilig voelen door uw gedragingen. Wij kiezen voor de veiligheid van het bedrijf en personeel. Dat betekent dat ernstig verwijtbare gedragingen zoals u die heeft vertoond niet passen in ons bedrijf.
Wij hebben u gewaarschuwd voor ontslag op staande voet. Zoals reeds aangegeven nemen wij uw verwijtbare gedrag hoog op. U heeft zich ernstig verwijtbaar gedragen, inhoudende het lastigvallen, beledigen én bedreigen van personeel en directie. U heeft daarbij ook opdrachtgevers van [verweerder] betrokken in deze kwestie. Tevens heeft u bedrijfseigendommen meegenomen zonder toestemming van [verweerder] . U heeft ervoor gezorgd dat de werkomgeving van [verweerder] voor zowel personeel als directie niet meer als een veilige plek voelt en dat is u zeer ernstig te verwijten.
Iedere gedraging op zich en alle gedragingen tezamen vormen een dringende reden tot ontslag op staande voet conform artikel 7:677 lid 1 BW. Op grond hiervan wordt uw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang beëindigd.”

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover wettelijk toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I. de opzegging d.d. 16 januari 2025 van de arbeidsovereenkomst van 1 maart 2024 ex artikel 7:681 BW te vernietigen;
II. [verweerder] te veroordelen om binnen 48 uur na dagtekening van de te wijzen beschikking [verzoeker] werkzaamheden aan te bieden tot re-integratie in zijn eigen werk conform de door de bedrijfsarts reeds gegeven of nog te geven adviezen, alsmede [verweerder] te verplichten [verzoeker] toe te laten tot de overeengekomen (aangepaste) werkzaamheden zodra [verzoeker] is hersteld, tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag dat werkgever in gebreke blijft met een maximum van € 25.000,00;
III. [verweerder] te veroordelen tot (door)betaling van het salaris aan [verzoeker] van € 3.459,52 bruto per maand, te vermeerderen met een vakantietoeslag van 8% en de overige emolumenten waar [verzoeker] op grond van zijn arbeidsovereenkomst d.d. 1 maart 2024 recht op heeft, vanaf 16 januari 2025 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW telkens wanneer dit loon niet tijdig, te weten op de laatste dag van de betreffende periode, is voldaan tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. [verweerder] te veroordelen tot verstrekking aan [verzoeker] van een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie(s), waarin het bedrag en betaling van het verschuldigde onder sub III zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00 voor elke dag na betekening van de beschikking dat zij niet voldoet aan de beschikking;
subsidiair
V. voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven;
VI. [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de gefixeerde schadevergoeding van artikel 7:672 lid 11 BW wegens onregelmatige opzegging voor de periode dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging nog had voortgeduurd, te weten het loon ad € 3.459,52 bruto per maand plus 8% vakantietoeslag en overige emolumenten, over de periode van 16 januari 2025 tot
1 maart 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, zijnde 16 januari 2025, althans de datum van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;
VII. [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de transitievergoeding ex artikel 7:673 BW, een bedrag ad € 2.143,95 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 17 februari 2025, althans vanaf datum opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;
VIII. [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een billijke vergoeding ex artikel 7:681 lid 1 BW ad € 82.198,20 bruto of zoveel meer of minder als uw rechtbank in goede justitie meent te moeten toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2025, althans vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;
IX. [verweerder] te veroordelen tot verstrekking aan [verzoeker] van een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie, waarin het bedrag en betaling van sub VI tot en met VIII zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00- voor elke dag na betekening van de beschikking dat zij niet voldoet aan de beschikking;
X. [verweerder] te veroordelen om binnen 7 dagen na dagtekening van de te wijzen beschikking een neutraal getuigschrift aan [verzoeker] te verstrekken, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van
€ 10.000,00 dat werkgever daarmee in gebreke blijft;
meer subsidiair
XI. [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de transitievergoeding ex artikel 7:673 BW, een bedrag ad € 2.143,95 bruto, voor het geval de arbeidsovereenkomst wel is geëindigd door het ontslag op staande voet, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 17 februari 2025, althans vanaf datum opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;
primair, subsidiair en meer subsidiair
XII. [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de netto inhouding in de maand januari 2025 ad € 185,00, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ad 50% en de wettelijke rente vanaf datum opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;
XIII. [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de niet uitbetaalde overuren over 2023 en 2024 ad € 6.187,20, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ad 50% en de wettelijke rente telkens wanneer de overuren niet tijdig, te weten op de laatste dag van de betreffende periode waarin de overuren zijn gemaakt zijn uitbetaald, althans vanaf datum opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;
XIV. [verweerder] te veroordelen tot verstrekking aan [verzoeker] van een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie(s), waarin het bedrag en betaling van het verschuldigde onder sub XII en XIII zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00 voor elke dag na betekening van de beschikking dat [verweerder] niet voldoet aan de beschikking;
XV. [verweerder] te veroordelen in de kosten en nakosten van deze procedure.
3.2.
[verzoeker] legt aan zijn verzoeken ten grondslag dat geen sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Er is geen sprake van een dringende reden, zo heeft hij de veiligheid van collega’s niet in gevaar heeft gebracht, heeft hij geen collega’s bedreigd en heeft hij zich niet schuldig gemaakt aan diefstal. Het contact met opdrachtgevers van [verweerder] en [naam 1] “kontenlikker” noemen waren ongelukkig, maar vormen geen reden voor een ontslag op staande voet. Klaarblijkelijk deelde [verweerder] deze mening, zo blijk uit de e-mail van 10 januari 2025 waarin wordt gesproken over een waarschuwing (r.o. 2.7). Bovendien is het ontslag niet onverwijld gegeven, nu de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden op 8 en 10 januari 2025 en het ontslag pas op 16 januari 2025 is verleend. Daarnaast spelen de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] , waaronder zijn arbeidsongeschiktheid, een rol.
3.3.
[verweerder] heeft verweer gevoerd waarop hierna, voor zover van belang, wordt ingegaan.

4.Het (voorwaardelijk) tegenverzoek en het verweer

4.1.
In het geval het gegeven ontslag op staande voet wordt vernietigd, verzoekt [verweerder] de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] te ontbinden en hierbij te bepalen dat [verweerder] de gelegenheid heeft om, voor een door de kantonrechter te bepalen datum, het voorwaardelijk ontbindingsverzoek in te trekken indien er een billijke vergoeding aan [verzoeker] wordt toegekend, met veroordeling van [verzoeker] in de proces- en nakosten, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van de in deze te wijzen beschikking en -voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt -te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn van voldoening.
4.2.
[verweerder] legt aan het tegenverzoek ten grondslag dat de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] ontbonden dient te worden wegens een verstoorde arbeidsrelatie. Doordat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal, belediging en bedreiging van personeel en directie en het betrekken van opdrachtgevers van [verweerder] in dit conflict, is er inmiddels een onwerkbare situatie ontstaan, waardoor er van [verweerder] niet meer verwacht kan worden dat zij de arbeidsovereenkomst nog langer in stand houdt. Door zijn handelen heeft [verzoeker] diverse relaties met mensen binnen [verweerder] beschadigd waardoor een herstel van de arbeidsverhouding niet in de rede ligt.
4.3.
[verzoeker] heeft verweer gevoerd en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Hij voert – samengevat – aan dat er geen sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verzoeker] om toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding van € 57.538,74 bruto.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Omdat het verzoek en het (voorwaardelijk) tegenverzoek nauw met elkaar samenhangen, bespreekt de kantonrechter deze gezamenlijk.
5.2.
Het gaat in deze zaak primair om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en, zo ja, of sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding op grond waarvan de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden.
Ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig
5.3.
Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Een ontslag op staande voet is een uiterst middel en is alleen gerechtvaardigd als van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet de aard en ernst van de door de werkgever aangevoerde dringende reden worden afgewogen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Relevant daarbij zijn de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer zijn werk heeft vervuld en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer.
5.4.
Voor de beoordeling van de vraag of het door [verweerder] aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zijn de aan [verzoeker] opgegeven redenen zoals vermeld in de e-mail van 16 januari 2025 maatgevend. Hierin is het volgende opgenomen: a) spullen uit de werkbus gehaald, b) aanwezigheid bij [verweerder] na op non-actief stelling, c) directie en medewerkers voelen zich onveilig, d) diefstal en e) het betrekken van opdrachtgevers.
5.5.
Het is evenwel de vraag of dit ontslag op staande voet niet te vroeg is gegeven. In de e-mail van 10 januari 2025 van [verweerder] staat immers
“Wij geven jouw één laatste kans en nodigen je ondanks dit incident nog steeds uit om aanstaande maandag 13 januari 2025 om 09.00 uur op kantoor te verschijnen om jouw kant van het verhaal toe te lichten (…) Het eerstvolgende incident dat plaatsvindt zullen wij niet meer tolereren. Wij kiezen voor de veiligheid van het bedrijf en personeel. Dat betekent voor jou dat wij direct over zullen gaan op ontslag op staande voet. Wij vertrouwen erop dat jij hiermee voldoende gewaarschuwd bent én dat jij geen ontoelaatbaar gedrag meer zal vertonen.”[verzoeker] heeft dit opgevat als een laatste waarschuwing. Nadien is er geen sprake meer geweest van ontoelaatbaar gedrag, zodat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven is. [verweerder] geeft een andere uitleg aan de e-mail van 10 januari 2025. De laatste waarschuwing zou zien op de laatste kans voor [verzoeker] om zijn kant van het verhaal toe te lichten in een gesprek met [verweerder] . Gelet op het feit dat de e-mail van
10 januari 2025 onduidelijk is en op verschillende manieren kan worden uitgelegd, gaat de kantonrechter uit van de uitleg die [verzoeker] aan de e-mail van 10 januari 2025 geeft. Blijkbaar vond [verweerder] de incidenten die zijn voorgevallen tot
10 januari 2025 nog een onvoldoende dringende reden om over te gaan tot een ontslag op staande voet. Nu er zich tussen 10 en 16 januari 2025 geen incidenten meer hebben voorgedaan, valt niet in te zien waarom dit op 16 januari 2025 anders zou zijn. Het ontslag op staande voet kan dan ook niet in stand blijven. De gevraagde vernietiging zal worden uitgesproken.
5.6.
Nu het ontslag (op staande voet) wordt vernietigd, is de arbeidsovereenkomst onverkort blijven voortduren. [verweerder] is daarom gehouden tot betaling van het overeengekomen brutoloon van € 3.459,52 per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld en overige emolumenten, vanaf 16 januari 2025 tot einde dienstverband.
5.7.
De door [verzoeker] gevorderde wettelijke verhoging zal de kantonrechter matigen tot maximaal 20%. Niet gezegd kan worden dat [verweerder] zonder enige reden, tegen beter weten in, het loon niet heeft betaald. Anderzijds, wie kiest voor een ultimum remedium - en ongelijk krijgt wat betreft die keuze - mag daarvan ook de gevolgen ondervinden, reden waarom matiging tot nihil niet aan de orde is.
5.8.
De gevorderde wettelijke rente over het loon is toewijsbaar op de wijze als hierna vermeld.
5.9.
Het verzoek om deugdelijke bruto-/netto-loonspecificaties is ook toewijsbaar. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen, nu niet gesteld en/of gebleken is dat er gegronde vrees bestaat dat de loonspecificaties niet door [verweerder] zullen worden verstrekt.
5.10.
Omdat het primaire verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet is toegewezen, wordt niet toegekomen aan de subsidiaire verzoeken van [verzoeker] .
Arbeidsovereenkomst wordt ontbonden
5.11.
Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd, is voldaan aan de voorwaarde waaronder [verweerder] haar ontbindingsverzoek heeft ingediend en zal dit verzoek worden beoordeeld. [verweerder] legt aan dit verzoek ten grondslag dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW).
5.12.
Weliswaar is sprake van een opzegverbod tijdens ziekte, maar het ontbindingsverzoek houdt naar het oordeel van de kantonrechter geen verband met de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] , zodat het inhoudelijk beoordeeld kan worden.
5.13.
Voor een ontbinding op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, moet er sprake zijn van een ernstig en duurzaam verstoorde verhouding. De kantonrechter is van oordeel dat weliswaar sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, maar dat deze verstoring geen duurzaam karakter heeft. De verstoring is gegrond op een aantal incidenten die zich op 8 en 10 januari 2025 hebben voorgedaan. De incidenten hebben plaatsgevonden in een zodanig kort tijdsbestek dat geen sprake is van een duurzame verstoring die in redelijkheid moet leiden tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Wel zal de kantonrechter, met aanvulling van de rechtsgrond (artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder e BW), de arbeidsovereenkomst ontbinden op grond van verwijtbaar handelen. Voor ontbinding wegens verwijtbaar handelen van de werknemer is vereist dat dit handelen zodanig is dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het moet de werknemer van tevoren ook duidelijk zijn geweest wat wel of niet door de werkgever als toelaatbaar wordt gezien. Het verwijtbaar handelen van [verzoeker] bestaat eruit dat [verzoeker] op 8 januari 2025 (1) zonder toestemming zijn eigendommen uit de bedrijfsbus heeft gehaald, terwijl de bedrijfsbus voor de woning van collega [naam 1] stond geparkeerd en (2) een spraakmemo, zoals geciteerd in r.o. 2.5., heeft verzonden onder collega’s en opdrachtgevers van [verweerder] .
Ontbinding per heden en geen recht op transitievergoeding
5.14.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden, zodat het verzoek van [verzoeker] om [verweerder] te veroordelen hem werkzaamheden aan te bieden tot re-integratie in zijn eigen werk conform de adviezen van de bedrijfsarts, afgewezen dient te worden. De ontbinding zal per heden zijn, zonder rekening te houden met een opzegtermijn. Daarbij is het volgende van belang.
5.15.
Het einde van de arbeidsovereenkomst kan worden bepaald op een eerder tijdstip dan het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. Dat kan alleen als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Deze uitzonderingsgrond heeft een beperkte reikwijdte en moet terughoudend worden toegepast. Uitsluitend in uitzonderlijke gevallen kan hiervan sprake zijn, waarin evident is dat het handelen of nalaten van de werknemer niet slechts als verwijtbaar, maar als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt.
5.16.
Naar het oordeel van de kantonrechter is de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] . Dat moet [verzoeker] zwaar worden aangerekend. Hij had zich bewust moeten zijn van de impact van zijn handelen op collega’s en opdrachtgevers en dus zijn werkgever. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal daarom worden bepaald op heden.
5.17.
[verzoeker] heeft gelet op zijn ernstig verwijtbaar handelen geen recht op een transitievergoeding. Dit is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Het verzoek van [verweerder] om dit zo te bepalen is daarom toewijsbaar, terwijl het spiegelbeeldige verzoek van [verzoeker] afgewezen dient te worden.
Geen recht op een billijke vergoeding
5.18.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verzoeker] een billijke vergoeding toe te kennen, omdat uit het voorgaande al blijkt dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] .
Geen herplaatsing
5.19.
Herplaatsing van [verzoeker] binnen een redelijke termijn ligt gelet op het ernstig verwijtbaar handelen niet in de rede.
Inhouding telefoon
5.20.
Op het salaris over de maand januari 2025 is door [verweerder] ten onrechte een nettobedrag van € 185,00 ingehouden, aldus [verzoeker] . [verweerder] heeft dit gemotiveerd betwist en beroept zich op een Whatsapp-bericht van 20 januari 2025 van [verzoeker] aan [verweerder] . Hierin schrijft [verzoeker] :
“De telefoonwaarde mag je inhouden van mijn salaris, maar de rest waar geen bewijzen van zijn, niet.”Daarnaast heeft [verweerder] een factuur overgelegd waaruit de waarde van de telefoon blijkt. Hieruit blijkt dat de inhouding van een nettobedrag van
€ 185,00 op het salaris van [verzoeker] tussen partijen is overeengekomen. Het verzoek tot betaling van een bedrag van € 185,00 door [verweerder] aan [verzoeker] zal dan ook worden afgewezen.
Betaling loon overwerk
5.21.
Ten aanzien van het verzochte loon over de gemaakte overuren in weekenden en (bouwvak)vakanties overweegt de kantonrechter dat [verzoeker] , door overlegging van Whatsapp-correspondentie van 22 juli 2023, 5, 7 en 10 augustus 2023, 26 november 2023,
2 en 16 maart 2024, 6 april 2024, 1 juni 2024, 13 en 31 juli 2024 en 13 en 16 augustus 2024 tussen hem en [verweerder] , voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze overuren heeft gewerkt. Het verweer van [verweerder] dat [verzoeker] geen handen en voeten heeft gegeven aan zijn stelling dat deze overuren niet zijn uitbetaald, slaagt niet. Het is immers aan [verweerder] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat betaling van de overuren heeft plaatsgevonden (artikel 150 Rv). Dit heeft [verweerder] nagelaten. Evenmin heeft [verweerder] verweer gevoerd tegen de berekening van het loon van de overuren conform artikel 42 lid 2 sub b van de cao, zodat de kantonrechter een brutobedrag van € 6.187,20 toewijst. Ook de verzochte wettelijke verhoging en wettelijke rente hierover worden toegewezen op de wijze als hierna vermeld.
5.22.
Het verzoek om deugdelijke bruto-/netto-loonspecificaties is ook toewijsbaar. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen, nu niet gesteld en/of gebleken is dat er gegronde vrees bestaat dat de loonspecificaties niet door [verweerder] zullen worden verstrekt.
Inzake het verzoek en het tegenverzoek: proceskosten
5.23.
Gelet op alle genomen beslissingen, waarbij partijen over en weer in het gelijk c.q. ongelijk zijn gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
vernietigt het op 16 januari 2025 gegeven ontslag op staande voet,
6.2.
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van:
- het bruto maandloon van € 3.459,52, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten, vanaf 16 januari 2025 tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, vermeerderd met de wettelijke verhoging van maximaal 20% en de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige betaling,
- een brutobedrag van € 6.187,20 bruto ter zake de overuren in 2023 en 2024, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [verweerder] tot het verstrekken van deugdelijke bruto-/netto- loonspecificaties waarin de onder 6.2 genoemde bedragen zijn verwerkt,
6.4.
ontbindt de arbeidsovereenkomst per heden,
6.5.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
6.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Weerkamp - Beens en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2025.
44356 \ 693