De minderjarige heeft via een eigen rechtsingang een verzoek ingediend om de bestaande co-ouderschapsregeling te wijzigen, waarbij hij meer tijd bij de moeder wil doorbrengen. Tijdens de mondelinge behandeling gaven beide ouders hun standpunten weer: de moeder staat neutraal tegenover wijziging en wil vooral rust voor het kind, terwijl de vader tegen wijziging is en twijfels heeft over de opvoedkundige capaciteiten van de moeder.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde om de zorgregeling niet te wijzigen en stelde dat de problemen vooral voortkomen uit de verstoorde communicatie tussen de ouders. De rechtbank concludeert dat hoewel de minderjarige duidelijk zijn wens heeft geuit, de zorgregeling niet aangepast zal worden omdat dit de situatie waarschijnlijk zal verslechteren.
De rechtbank benadrukt het belang van beide opvoedstijlen voor de ontwikkeling van de minderjarige en wijst op de verantwoordelijkheid van de ouders om de communicatie te verbeteren. Ondanks eerdere mislukte hulpverleningstrajecten wordt de moeder aangemoedigd haar standpunt te heroverwegen. De beschikking is uitgesproken door kinderrechter T. Hermans op 25 juni 2025.