Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.De procedure
- de akte eiser na tussenvonnis van de Staat.
Rechtbank Gelderland
In deze onteigeningszaak tussen de Staat der Nederlanden en Oliehandel Nederland B.V. (OHN) heeft de rechtbank Gelderland de kosten van juridische bijstand vastgesteld en de Staat veroordeeld tot vergoeding daarvan. Het tussenvonnis bepaalde reeds dat een deel van de kosten van OHN voor vergoeding in aanmerking kwam, maar er was discussie over de redelijkheid van bepaalde declaraties en de rol van verschillende advocaten.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de kosten van één advocaat niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat het onredelijk was dat twee advocaten gelijktijdig werkzaamheden verrichtten. De kosten van de andere advocaat worden volledig vergoed. Daarnaast is een bedrag van €5.000 exclusief btw vastgesteld voor onderhanden werk en afwikkeling. De totale vergoeding aan OHN bedraagt €71.103,46 exclusief griffierecht.
Verder is vastgesteld dat er een kennelijke fout is gemaakt bij de heffing van griffierechten. Op grond van de Wet Griffierechten Burgerlijke Zaken zijn naheffingen opgelegd, waarbij OHN een naheffing van €3.475 moet betalen, welke door de Staat wordt vergoed. Ook de Staat krijgt naheffingen opgelegd voor griffierechten in haar hoedanigheid als eiser en gedaagde. Uiteindelijk veroordeelt de rechtbank de Staat tot betaling van €74.578,46 inclusief btw en griffierecht aan OHN.
De onteigening zelf wordt niet uitgesproken en er wordt geen schadeloosstelling vastgesteld, waardoor publicatie van het vonnis achterwege blijft.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €74.578,46 aan kosten juridische bijstand en griffierechten aan OHN.