Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
de provincie Zuid-Holland(de vergunninghouder)
Rechtbank Gelderland
De provincie Zuid-Holland ontving op 17 november 2021 een watervergunning van het hoogheemraadschap voor het aanleggen van afmeervoorzieningen aan weerszijden van een brug in een plaats. Eiser, wonende nabij de locatie, stelde dat de vergunning ernstige privaatrechtelijke nadelen voor hem oplevert, zoals verminderd woongenot, belemmerde toegang tot zijn sloot en overlast.
De rechtbank stelt vast dat het beroep zich uitsluitend richt op het besluit van het hoogheemraadschap en niet op het handelen van de provincie. Het toetsingskader van de Waterwet beperkt de gronden voor weigering van een watervergunning tot belangen die samenhangen met de doelstellingen van de wet, zoals bescherming van watersystemen en maatschappelijke functies.
De rechtbank oordeelt dat de door eiser aangevoerde private belangen niet leiden tot weigering van de vergunning. Ook is het hoogheemraadschap niet verplicht om voorschriften of beperkingen aan de vergunning te verbinden om aan deze belangen tegemoet te komen. De vermeende risico's voor de waterkwaliteit en oeverstabiliteit zijn onvoldoende onderbouwd.
Verder is geen sprake van onjuiste gegevens in de vergunningaanvraag en is het eigendomsrecht van eiser niet onrechtmatig beperkt, gelet op artikel 1 Eerste Pro Protocol EVRM. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de watervergunning blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de watervergunning wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.