Verdachte werd vervolgd voor gekwalificeerde doodslag op een slachtoffer in 2000, waarbij het OM stelde dat dit gevolgd was op een poging moord/doodslag en/of poging tot diefstal met geweld. Verdachte was in 2004 al vrijgesproken van een overval en poging moord/doodslag op een andere persoon, waarop het ne bis in idem-beginsel werd ingeroepen door de verdediging.
De rechtbank oordeelde dat de huidige tenlastelegging juridisch en feitelijk voldoende verschilde van de eerdere vervolging, zodat geen sprake was van hetzelfde feit en het ne bis in idem-beginsel niet werd geschonden. Wel achtte de rechtbank het OM partieel niet-ontvankelijk omdat feiten waarvoor verdachte reeds onherroepelijk was vrijgesproken opnieuw een rol speelden, wat in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde.
Ten aanzien van het bewijs concludeerde de rechtbank dat verdachte niet degene was die op het slachtoffer had geschoten en dat de vereiste nauwe en bewuste samenwerking voor medeplegen niet was vastgesteld. Ook werd het verweer van schending van het verschoningsrecht verworpen omdat dit niet van toepassing was en geen ernstige inbreuk op een eerlijk proces opleverde.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het tenlastegelegde medeplegen van doodslag en wees de gevangenneming af. Het vonnis werd gewezen door drie rechters en uitgesproken op 30 juni 2025.