In deze zaak stond verdachte terecht voor het medeplegen van gekwalificeerde doodslag op slachtoffer 1 en poging tot moord op slachtoffer 2, gepleegd op 9 oktober 2000. Verdachte was eerder in 2004 buiten vervolging gesteld wegens onvoldoende bewijs, maar nieuwe belastende getuigenverklaringen uit 2021 en 2024 leidden tot heropening van de zaak.
De rechtbank beoordeelde de betrouwbaarheid van deze nieuwe verklaringen, die grotendeels gebaseerd waren op wat medeverdachte had verteld (de auditu-verklaringen). Hoewel de verklaringen van twee getuigen elkaar ondersteunden, ontbrak het aan aanvullend bewijs om deze verklaringen te staven. Andere getuigenverklaringen waren inconsistent of onvoldoende specifiek.
Gezien het grote tijdsverloop, het karakter van de verklaringen en het ontbreken van voldoende steunbewijs, oordeelde de rechtbank dat het bewijs niet voldeed aan het bewijsminimum. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten en wees de gevorderde gevangenisstraf af.