ECLI:NL:RBGEL:2025:5188

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 mei 2025
Publicatiedatum
2 juli 2025
Zaaknummer
451791
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing van conservatoir beslag in kort geding met betrekking tot onbetaalde facturen en vervangende zekerheid

In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 22 mei 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen [eiseres] en [gedaagde]. [Eiseres], een onderneming in dak- en wandbeplating, had werkzaamheden verricht voor [gedaagde], die eigenaar was van een perceel met een woning en bijgebouwen. Na het uitvoeren van de werkzaamheden heeft [eiseres] een factuur gestuurd voor het resterende bedrag van de aanneemsom en meerwerk, maar [gedaagde] heeft deze niet betaald. [Gedaagde] heeft vervolgens conservatoir beslag gelegd op de bankrekening van [eiseres] op 15 mei 2025, omdat hij stelde dat de asbestsanering niet naar behoren was uitgevoerd en hij schade had geleden.

In het kort geding vorderde [eiseres] de opheffing van het beslag, stellende dat zij voldoende vervangende zekerheid had geboden. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het belang van [eiseres] bij opheffing van het beslag zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij handhaving ervan. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat het beslag onnodig was gelegd, omdat [eiseres] een middelgrote onderneming is die voldoende verhaal biedt. Bovendien heeft [eiseres] vervangende zekerheid aangeboden, maar [gedaagde] ging hier niet mee akkoord.

De voorzieningenrechter heeft het beslag opgeheven en [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten van [eiseres]. De totale proceskosten zijn begroot op € 1.973,00, inclusief griffierecht en salaris advocaat. De uitspraak is gedaan in het openbaar en de motivering is op 10 juni 2025 vastgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/451791 / KG ZA 25-153
Vonnis in kort geding van 22 mei 2025
in de zaak van
[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. P.J. van Hartingsveldt,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. T.Y. Tsang.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 36
- de producties 1 tot en met 8 van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 22 mei 2025
- de pleitnota van [eiseres] , tevens inhoudende wijziging van eis
- de pleitnota van [gedaagde]
- het kopstaartvonnis van 22 mei 2025 waarbij het beslag is opgeheven.
1.2.
In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 22 mei 2025 vonnis gewezen. De feiten en de motivering waarop de in dat vonnis gegeven beslissing steunt, worden hierna vastgelegd.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] exploiteert een onderneming in de dak- en wandbeplating. [gedaagde] is op 11 april 2023 eigenaar geworden van een perceel met daarop een woning en bijgebouwen aan de [adres 1] . [eiseres] heeft bij [gedaagde] saneringswerkzaamheden uitgevoerd aan meerdere daken van schuren op het erf van [gedaagde] en heeft nieuwe dakplaten geleverd en gemonteerd. Tussen partijen is overeengekomen dat [eiseres] die werkzaamheden zou verrichten voor een bedrag van € 35.301,19. Na sanering en beplating diende [gedaagde] 90% van de aanneemsom te voldoen, gevolgd door een betaling van 10% na oplevering.
2.2.
Op 5 september 2023 heeft [eiseres] aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor de laatste 10% van de aanneemsom, evenals het overeengekomen meerwerk voor in totaal € 8.704,89. Dit bedrag is door [gedaagde] niet betaald.
2.3.
Op 23 januari 2024 heeft [gedaagde] [eiseres] laten weten dat de asbestsanering niet naar behoren zou zijn uitgevoerd en dat [gedaagde] schade heeft geleden, tot dan toe door hem begroot op € 45.000,-.
2.4.
Op verzoek van [gedaagde] heeft [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) op 22 november 2024 een inspectie uitgevoerd naar de werkzaamheden van [eiseres] . Volgens dit rapport zijn er meerdere gebreken geconstateerd en beloopt de totale schade een bedrag van € 120.727,-.
2.5.
Op 15 mei 2025 heeft [gedaagde] na daartoe verlof te hebben gekregen van de voorzieningenrechter conservatoir derdenbeslag doen leggen op de bankrekening van [eiseres] .
2.6.
In de periode van 16 tot en met 20 mei 2025 hebben partijen onderhandeld over opheffing van het beslag door het stellen van vervangende zekerheid door [eiseres] . [gedaagde] wilde niet instemmen met het gebruik van de derdenrekening van het kantoor van de advocaat van [eiseres] waarna [eiseres] akkoord ging met het storten van het bedrag van € 156.945,- op de derdengeldrekening van de door [gedaagde] aangewezen gerechtsdeurwaarder. Vervolgens hebben partijen onderhandeld over de inhoud van een depotovereenkomst. [gedaagde] stelde als eis dat in de depotovereenkomst een bepaling zou worden opgenomen, inhoudende dat [eiseres] geen kort geding zou starten om het conservatoir beslag op te laten heffen. Daarmee is [eiseres] niet akkoord gegaan.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert na wijziging van eis bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, dat de voorzieningenrechter:
primair:
I. het namens [gedaagde] op 15 mei 2025 gelegde conservatoir beslag ten laste [eiseres] onder de Rabobank opheft;
subsidiair:
II. [gedaagde] veroordeelt tot het opheffen van het door hem ten laste van [eiseres] gelegde conservatoir derdenbeslag onder de Rabobank binnen 24 uur na het vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag of een gedeelte dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000,-;
meer subsidiair:
III. [gedaagde] veroordeelt om binnen 24 uur na het vonnis tot ondertekening van de depotovereenkomst (overgelegd als productie 32) over te gaan en aansluitend – en binnen 24 uur na de betaling van de vermeende vordering door [eiseres] op de derdengeldenrekening van de deurwaarder – het beslag op te heffen, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag of een gedeelte dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000,-;
Primair, subsidiair en meer subsidiair:
IV. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de integrale proceskosten van [eiseres] , althans de gebruikelijke proceskosten van dit geding, waaronder begrepen een salaris voor de advocaat.
3.2.
[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Allereerst betwist [eiseres] de door [gedaagde] gestelde schade. Alleen al om die reden is volgens [eiseres] summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering van [gedaagde] gebleken. Bovenal dient het beslag te worden opgeheven omdat [eiseres] voldoende zekerheid heeft aangeboden aan [gedaagde] . [gedaagde] weigert ten onrechte de beslagen op te heffen. Daarnaast is door het repeterend beslag onder de Rabobank een veel hoger bedrag getroffen, dan door het verlof is begroot. Door het gelegde beslag op de bankrekening van [eiseres] , is zij niet in staat aan haar lopende verplichtingen te voldoen. Het gelegde beslag heeft dan ook een disproportioneel en verregaand effect op de dagelijkse gang van zaken binnen de onderneming.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] evenals het in stand laten van het beslag, dan wel [eiseres] te gelasten vervangende zekerheid te bieden door een bedrag van € 156.945,- te storten op de derdenrekening van de deurwaarder waarna het beslag zal worden opgeheven, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De voorzieningenrechter zal de primaire vordering toewijzen, zoals hierna wordt toegelicht.
4.2.
Ingevolge artikel 705 lid 2 Rv kan het beslag worden opgeheven indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige beslag of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, zoals in dit geval, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter bij een opheffingsvordering altijd de belangen van partijen weegt.
Hierbij geldt dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.
4.3.
In deze zaak heeft [eiseres] weliswaar gemotiveerd betoogd dat geen sprake is van enige tekortkoming aan haar kant waardoor [gedaagde] schade heeft geleden maar zonder nader onderzoek naar de omvang van de opdracht en de wijze van uitvoering daarvan valt niet summierlijk vast te stellen of het door [gedaagde] ingeroepen recht ondeugdelijk is.
4.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beslag onnodig is gelegd. Ter zitting is gebleken dat [eiseres] een middelgrote onderneming is die voldoende verhaal biedt. Ten onrechte heeft [gedaagde] in het beslagrekest gesteld dat hij gegronde vrees heeft dat verhaal zonder het leggen van, zelfs repeterend, beslag niet mogelijk zal zijn.
[eiseres] heeft onbetwist gesteld dat zij door het repeterend beslag onder de Rabobank voor een bedrag van € 1.200.000,- is geraakt en door het beslag niet langer in staat is om haar lopende verplichtingen na te komen, terwijl de aanneemsom € 35.301,19 bedroeg, waarvan € 8.704,89 door [gedaagde] onbetaald is gebleven. Daarbij komt dat in het beslagrekest ten onrechte is gesteld dat verhaalsobjecten worden onttrokken. Hiervan is in deze procedure niet gebleken dat dit aan de orde is.
Daarbij komt het volgende. [eiseres] heeft, om elke discussie over schade voor te zijn, vervangende zekerheid geboden door storting van het bedrag waarvoor beslag werd toegestaan onder haar advocaat en, toen [gedaagde] daarmee niet akkoord wilde gaan, onder de door [gedaagde] aangewezen deurwaarder. Ook daarmee wilde [gedaagde] niet akkoord gaan omdat hij het niet eens was met de tekst van de depotovereenkomst en eiste dat [eiseres] geen kort geding aanhangig zou maken. Het belang van [eiseres] tot opheffing van het beslag weegt dan ook zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij handhaving van het beslag.
4.5.
Het beslag zal dan ook worden opgeheven.
(Werkelijke) proceskosten
4.6.
[eiseres] vordert dat de door haar gemaakte werkelijke proceskosten voor onderhavige procedure door [gedaagde] worden vergoed. Zij stelt dat deze procedure eenvoudigweg voorkomen had kunnen worden indien [gedaagde] de door [eiseres] gestelde vervangende zekerheid had geaccepteerd. [gedaagde] voert het verweer dat de proceskosten van dit geding eenvoudigweg voorkomen hadden kunnen worden als [eiseres] tijdig inhoudelijk had gereageerd, dan wel akkoord was gegaan met de door [gedaagde] aangeboden depotovereenkomst. Volgens [gedaagde] is van misbruik van recht dan ook geen sprake.
4.7.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze vordering alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van [eiseres] achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als [gedaagde] zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Hoewel [eiseres] voldoende zekerheid heeft gesteld voorafgaande aan deze procedure, staat het tussen partijen vast dat dit bedrag nog niet is betaald op de derdenrekening van een advocaat of onder een gerechtsdeurwaarder. Van misbruik van procesrecht is dan ook geen sprake.
4.8.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- griffierecht
688,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.973,00
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
heft per heden op het namens [gedaagde] gelegde conservatoir beslag onder de Rabobank ten laste van [eiseres] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.973,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op
22 mei 2025. De feiten en de motivering waarop de beslissing steunt, zijn afzonderlijk vastgelegd op 10 juni 2025.
1970