Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
€ 335,71 verschuldigd.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Gelderland
Verzoekster sloot op 12 december 2023 een huurovereenkomst voor een opslagruimte met Shurgard Nederland B.V. De overeenkomst bevatte een opzegtermijn van 15 dagen en de algemene voorwaarden van Shurgard waren van toepassing. Op 7 oktober 2024 stelde Shurgard verzoekster schriftelijk op de hoogte van de onmiddellijke stopzetting van het contract met een ontruimingstermijn tot 22 oktober 2024.
Verzoekster maakte bezwaar tegen deze opzegging, waarna Shurgard de overeenkomst formeel opzegde met een ontruimingstermijn tot 2 november 2024. Verzoekster heeft de opslagruimte echter niet ontruimd en verzocht op 31 januari 2025 bij de rechtbank om verlenging van de ontruimingstermijn op grond van artikel 7:230a BW, stellende dat haar gezondheid en financiële situatie dit noodzakelijk maakten.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek te laat was ingediend, aangezien de wettelijke termijn om een dergelijk verzoek in te dienen twee maanden na de schriftelijke aanzegging van ontruiming bedraagt, welke uiterlijk op 2 januari 2025 verstreek. Hierdoor werd verzoekster niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Shurgard.
Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om verlenging van de ontruimingstermijn wegens te late indiening.