Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2025:5231

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 juli 2025
Publicatiedatum
4 juli 2025
Zaaknummer
11531056
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:230a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek om verlenging ontruimingstermijn opslagruimte wegens te late indiening

Verzoekster sloot op 12 december 2023 een huurovereenkomst voor een opslagruimte met Shurgard Nederland B.V. De overeenkomst bevatte een opzegtermijn van 15 dagen en de algemene voorwaarden van Shurgard waren van toepassing. Op 7 oktober 2024 stelde Shurgard verzoekster schriftelijk op de hoogte van de onmiddellijke stopzetting van het contract met een ontruimingstermijn tot 22 oktober 2024.

Verzoekster maakte bezwaar tegen deze opzegging, waarna Shurgard de overeenkomst formeel opzegde met een ontruimingstermijn tot 2 november 2024. Verzoekster heeft de opslagruimte echter niet ontruimd en verzocht op 31 januari 2025 bij de rechtbank om verlenging van de ontruimingstermijn op grond van artikel 7:230a BW, stellende dat haar gezondheid en financiële situatie dit noodzakelijk maakten.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek te laat was ingediend, aangezien de wettelijke termijn om een dergelijk verzoek in te dienen twee maanden na de schriftelijke aanzegging van ontruiming bedraagt, welke uiterlijk op 2 januari 2025 verstreek. Hierdoor werd verzoekster niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Shurgard.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om verlenging van de ontruimingstermijn wegens te late indiening.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer / rekestnummer: 11531056 \ HA VERZ 25-8
Beschikking van 27 juni 2025
in de zaak van
[verzoekende partij],
wonende te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekende partij] ,
procederend in persoon,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SHURGARD NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: Shurgard,
gemachtigde: mr. M.P. Wolf.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 31 januari 2025 met bijlagen, ingekomen ter griffie op 7 februari 2025
- het verweerschrift met productie 1 t/m 14 ingekomen op 20 mei 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 mei 2025, waarbij Shurgard het woord heeft gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Van wat verder is besproken, heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

2.De feiten

2.1.
[verzoekende partij] heeft op 12 december 2023 met Shurgard een huurovereenkomst gesloten voor een opslagruimte met nummer [nummer] aan de [adres] . Op grond van deze opslagovereenkomst is [verzoekende partij] een maandelijkse huurprijs van (laatstelijk)
€ 335,71 verschuldigd.
2.2.
In de overeenkomst staat onder meer dat de overeenkomst te allen tijde schriftelijk door beide partijen kan worden geannuleerd met een minimale opzegtermijn van 15 dagen.
2.3.
Op de huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van Shurgard van toepassing.
2.4.
Bij brief van 7 oktober 2024 heeft Shurgard het volgende aan [verzoekende partij] geschreven:
“(…)
Shurgard heeft vastgesteld dat u de bepalingen van uw opslagcontract niet naleeft.
Het spijt ons dan ook u hierbij te moeten melden dat Shurgard het bestaande opslagcontract tussen Shurgard en uzelf met onmiddellijke ingang stopzet.
In overeenstemming met bepaling 3 van de algemene opslagvoorwaarden stellen wij u hierbij op de hoogte van de stopzetting binnen 15 dagen te rekenen vanaf vandaag, 07/10/2024.
Het contract zal bijgevolg beëindigd worden op 22/10/2024, en wij vragen u alle goederen die in de opslagruimte zijn opgeslagen, tegen die datum weg te halen en alle nog openstaande bedragen te betalen. (…)”
2.5.
Op 15 oktober 2024 heeft de toenmalige gemachtigde van [verzoekende partij] daartegen bezwaar gemaakt.
2.6.
De gemachtigde van Shurgard heeft op 15 oktober 2024 de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 november 2024 en daarbij de ontruiming tegen 2 november 2024 aangezegd.
2.7.
[verzoekende partij] is tot op heden niet tot ontruiming van de opslagruimte overgegaan.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Het verzoek van [verzoekende partij] is gebaseerd op artikel 7:230a BW. Zij heeft de kantonrechter verzocht om de ontruimingstermijn van de opslagruimte te verlengen voor een zo lang mogelijke termijn.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoekende partij] ten grondslag gelegd dat zij niet in staat is om de opslagruimte te ontruimen vanwege haar slechte gezondheid en het ontbreken van financiële middelen. Bovendien beschikt zij niet over een woonruimte om de inboedel van de opslagruimte op te slaan.
3.3.
Shurgard voert verweer en verzoekt de kantonrechter bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad [verzoekende partij] niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans het verzoek af te wijzen en [verzoekende partij] te veroordelen in de proceskosten.

4.De beoordeling

4.1.
In artikel 7:230a BW staat dat indien de huur betrekking heeft op een gebouwde onroerende zaak, niet zijnde woonruimte of bedrijfsruimte in de zin van boek 7 titel 4, dan kan de huurder na het einde van de huurovereenkomst de rechter verzoeken de termijn waarbinnen ontruiming van een 7:230a BW bedrijfsruimte moet plaatsvinden, te verlengen. Het verzoek moet worden ingediend binnen twee maanden na het tijdstip waartegen schriftelijke ontruiming is aangezegd.
4.2.
Vast staat dat Shurgard op 7 en 15 oktober 2024 de huurovereenkomst heeft opgezegd met inachtneming van de contractuele opzegtermijn van vijftien dagen en dat zij daarbij de ontruiming per 22 oktober 2024 respectievelijk 2 november 2024 heeft aangezegd. Dit betekent dat de termijn van twee maanden in het uiterste geval op 2 januari 2025 verstreken is, zodat [verzoekende partij] het verzoekschrift om verlenging van de ontruimingstermijn, dat zij op 31 januari 2025 bij de rechtbank heeft ingediend, te laat heeft ingediend. De kantonrechter concludeert dan ook dat [verzoekende partij] niet-ontvankelijk is in haar verzoek.
4.3.
[verzoekende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Shurgard worden begroot op:
- salaris gemachtigde
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
677,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart [verzoekende partij] niet-ontvankelijk in haar verzoek,
5.2.
veroordeelt [verzoekende partij] in de proceskosten van € 677,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoekende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Steverink en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2025.
46409/43477