Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2025:546

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 januari 2025
Publicatiedatum
27 januari 2025
Zaaknummer
C/05/439875 / FZ RK 24-1971
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 262 RvArt. 270 RvArt. 10:97 BWArt. 1:207 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling vaderschap na DNA-onderzoek ondanks overleden vader

De man verzoekt de rechtbank om het vaderschap van zijn overleden biologische vader vast te stellen op basis van een DNA-onderzoek. De moeder van de man bevestigt tijdens de mondelinge behandeling dat de overleden heer inderdaad de biologische vader is. De rechtbank acht zich bevoegd ondanks de woonplaats van de verzoeker en past Nederlands recht toe.

De rechtbank beoordeelt het verzoek ontvankelijk en stelt vast dat het vaderschap kan worden vastgesteld, ook al is de vader overleden. Het DNA-onderzoek, uitgevoerd door Leijs & Partners, toont met grote waarschijnlijkheid aan dat de heer de biologische vader is. Daarnaast ondersteunt de verklaring van de moeder en overgelegde correspondentie uit 1965 dit standpunt.

Op grond van deze feiten wijst de rechtbank het verzoek toe en stelt het vaderschap vast. Tevens wordt de griffier opgedragen om een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de gemeente. De beschikking is uitgesproken door rechter B. Krijnen op 17 januari 2025.

Uitkomst: De rechtbank stelt het vaderschap van de overleden heer vast over de verzoeker.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/439875 / FZ RK 24-19717
Datum uitspraak: 17 januari 2025
beschikking vaststelling vaderschap
naar aanleiding van het verzoek van
[verzoeker](hierna: de man),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. C.L. van Olst te Apeldoorn.
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder](hierna: mevrouw [naam moeder] ),
wonende te [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift, ingekomen bij de griffie op 13 augustus 2024;
- de instemmingsverklaringen van de halfbroer en halfzus van de man, ingekomen op 18 september 2024.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 16 december 2024 zijn gehoord:
- de man, bijgestaan door mr. C.L. van Olst en vergezeld door zijn partner;
- mevrouw [naam moeder] , vergezeld door haar partner.

2.De feiten

2.1.
De man is op [geboortedatum 1] geboren. Uit de geboorteakte blijkt dat mevrouw [naam moeder] de moeder is.
2.2.
De man is niet erkend.
2.3.
Uit het door de man overgelegde DNA-onderzoek is gebleken dat de heer [naam vader] , geboren op [geboortedatum 2] en overleden op [overlijdensdatum] , zijn biologische vader is.

3.Het verzoek

3.1.
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • het ouderschap van [naam vader] over hem vast te stellen;
  • de griffier op te dragen niet eerder dan drie maanden na de dag van de beschikking en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld, een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de gemeente Amsterdam;
althans te bepalen zoals het de rechtbank in goede justitie zou vermenen te behoren.

4.De beoordeling

Relatieve bevoegdheid
4.1.
Op grond van artikel 262 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bevoegd de rechter van de woonplaats van de verzoeker. Omdat de man in de gemeente [plaats] woont, is in beginsel de rechtbank Midden-Nederland bevoegd. De man wil hier echter op grond van artikel 270 Rv Pro van afwijken door zijn verzoek door de rechtbank Gelderland te laten behandelen. De rechtbank acht zich daarom alsnog bevoegd.
Toepasselijk recht
4.2.
Uit artikel 10:97 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat, of en onder welke voorwaarden het vaderschap van iemand gerechtelijk kan worden vastgesteld, wordt bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de ouders van het kind, of indien dit ontbreekt, door het recht van de staat van hun gemeenschappelijke gewone verblijfplaats of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind (in dit geval de man). Aangezien de ouders van de man geen gemeenschappelijke nationaliteit én geen gemeenschappelijke verblijfplaats hebben, is Nederlands recht van toepassing omdat de gewone verblijfplaats van de man in Nederland is.
Wettelijk kader
4.3.
Op grond van artikel 1:207 lid 1 BW Pro kan het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, op de grond dat deze de verwekker is van het kind door de rechtbank worden vastgesteld op verzoek van de moeder, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, of het kind zelf. Vaststelling van het ouderschap kan op grond van artikel 1:207 lid 2 BW Pro niet geschieden, indien:
het kind twee ouders heeft;
tussen de in de aanhef van het eerste lid bedoelde persoon en de moeder van het kind krachtens artikel 41 geen Pro huwelijk zou mogen worden gesloten of krachtens artikel 80a, zesde lid, geen partnerschap zou mogen worden geregistreerd;
de in de aanhef van het eerste lid bedoelde persoon een minderjarige is die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, tenzij hij voordat hij deze leeftijd heeft bereikt is overleden.
Aan de mogelijkheid om door middel van gerechtelijke vaststelling het vaderschap te vestigen is voor het kind geen termijn verbonden.
De ontvankelijkheid
4.4.
De rechtbank stelt vast dat de man in zijn verzoek kan worden ontvangen, omdat aan hem verzoek geen vervaltermijn is verbonden en ook aan alle formele vereisten is voldaan.
Inhoudelijke beoordeling
4.5.
Gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is mogelijk als [naam vader] de verwekker is van de man of als hij als levensgezel van de moeder heeft ingestemd met een daad die de verwekking van de man tot gevolg kan hebben gehad. Een DNA-onderzoek kan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitsluitsel bieden over het verwekkerschap. Het verwekkerschap kan ook worden vastgesteld op grond van getuigenbewijs.
4.6.
In dit geval heeft de man een rapportage van een DNA-onderzoek overgelegd, uitgevoerd door Leijs & Partners. Uit dit rapport blijkt – kort gezegd – dat de man een halfzus heeft wiens vader de heer [naam vader] is. Dit betekent dat de heer [naam vader] ook de vader moet zijn van de man.
4.7.
Daar komt bij dat mevrouw [naam moeder] tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven zeker te weten dat de heer [naam vader] de (biologische) vader is van de man. Mevrouw [naam moeder] heeft uitgebreid uitgelegd wanneer zij in de Verenigde Staten woonde, hoe zij de heer [naam vader] heeft leren kennen en dat zij gemeenschap met elkaar hebben gehad. Hoewel de heer [naam vader] nooit van het bestaan van zijn zoon heeft geweten, is er volgens de man en mevrouw [naam moeder] nu wel een band met de weduwe van de heer [naam vader] en halfbroer en -zus van de man. De verklaring tijdens de mondelinge behandeling van mevrouw wordt (deels) onderschreven door de overgelegde briefwisseling uit 1965 tussen mevrouw [naam moeder] en haar ouders over de heer [naam vader] .
4.8.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in rechte is komen vast te staan dat de heer [naam vader] de man heeft verwekt. Ook verder zijn er geen redenen om het verzoek van de man af te wijzen. Daarom wijst de rechtbank het verzoek van de man toe.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
stelt vast het vaderschap van [naam vader] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats in de ] (Verenigde Staten) en overleden op [overlijdensdatum] , over:
-
[verzoeker], geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ;
5.2.
draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van deze beschikking een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de gemeente [geboorteplaats] .
Deze beschikking is gegeven door mr. B. Krijnen, rechter, in tegenwoordigheid van
S.C. Dijksterhuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2025.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.