De man verzoekt de rechtbank om het vaderschap van zijn overleden biologische vader vast te stellen op basis van een DNA-onderzoek. De moeder van de man bevestigt tijdens de mondelinge behandeling dat de overleden heer inderdaad de biologische vader is. De rechtbank acht zich bevoegd ondanks de woonplaats van de verzoeker en past Nederlands recht toe.
De rechtbank beoordeelt het verzoek ontvankelijk en stelt vast dat het vaderschap kan worden vastgesteld, ook al is de vader overleden. Het DNA-onderzoek, uitgevoerd door Leijs & Partners, toont met grote waarschijnlijkheid aan dat de heer de biologische vader is. Daarnaast ondersteunt de verklaring van de moeder en overgelegde correspondentie uit 1965 dit standpunt.
Op grond van deze feiten wijst de rechtbank het verzoek toe en stelt het vaderschap vast. Tevens wordt de griffier opgedragen om een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de gemeente. De beschikking is uitgesproken door rechter B. Krijnen op 17 januari 2025.