ECLI:NL:RBGEL:2025:5563

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 juni 2025
Publicatiedatum
14 juli 2025
Zaaknummer
05.381951.24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor seksueel binnendringen van een minderjarige en verjaring van vervolging

Op 6 juni 2025 heeft de Rechtbank Gelderland in Arnhem uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het plegen van seksuele handelingen met een minderjarige, die op het moment van de feiten nog geen twaalf jaar oud was. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer, meermalen gepleegd tussen 24 januari 2002 en 1 februari 2005. De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar waren en voldoende steunbewijs hadden. De verdachte ontkende de beschuldigingen, maar zijn eigen verklaringen bij de politie gaven aanleiding tot een bewezenverklaring. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en een contactverbod met het slachtoffer. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij, het slachtoffer, toegewezen tot een bedrag van € 10.000,- aan smartengeld, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank heeft de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van een tweede feit, omdat dit feit was verjaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/381951-24
Datum uitspraak : 6 juni 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag 1] 1968 in [geboorteplaats] ,
wonende aan het [adres] , [postcode] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat in [plaats] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
23 mei 2025.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode tussen 24 januari 2002 en 1 februari 2005 te [plaats] , in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn geslachtsdeel in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd/gebracht;
subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode tussen 24 januari 2002 en 1 februari 2005 te [plaats] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met [slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) te plegen, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , naakt, althans deels ontkleed op
die [slachtoffer] heeft gelegen en/of (vervolgens) zijn ontblote geslachtsdeel tegen haar schaamlippen heeft geduwd/gedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode tussen 24 januari 2002 en 1 februari 2005 te [plaats] , in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het vastpakken, althans betasten van haar billen en/of borsten en/of
het wrijven over haar been/benen en/of
het kussen op haar mond en/of op haar lichaam en/of
het duwen/drukken van zijn geslachtsdeel tegen haar schaamlippen en/of
het door haar laten aftrekken, althans betasten van zijn geslachtsdeel.

2.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich met betrekking tot het onder feit 2 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging, omdat het feit is verjaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.
Beoordeling door de rechtbank
Het onder feit 2 tenlastegelegde is strafbaar gesteld in artikel 247 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Op 1 juli 2024 is een wetswijziging in werking getreden, waarbij op grond van het huidige artikel 70, tweede lid, aanhef en onder 2 Sr het recht tot strafvordering niet verjaart voor het misdrijf omschreven in artikel 247, eerste en tweede lid, indien het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.
Echter ten tijde van het onder feit 2 tenlastegelegde ving de verjaringstermijn bij het misdrijf omschreven in artikel 247 (oud) Sr, en gepleegd ten aanzien van een minderjarige, op grond van artikel 71, eerste lid, aanhef en onder 3, Sr aan op de dag na die waarop het slachtoffer achttien jaren is geworden. Dit betekent dat de verjaringstermijn ten aanzien van dit feit is gaan lopen op de dag nadat het slachtoffer achttien jaar werd, namelijk op 31 augustus 2010. De destijds geldende verjaringstermijn was op grond van artikel 70, aanhef en onder 3, Sr twaalf jaren voor artikel 247 (oud), eerste lid, Sr. Dit betekent dat de verjaringstermijn met ingang van 31 augustus 2022 is verlopen. Het recht tot strafvervolging is verjaard en het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk in de vervolging van het onder feit 2 tenlastegelegde.
3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) gedetailleerd en authentiek is en wordt ondersteund door de verklaring van verdachte bij de politie.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte bij [slachtoffer] seksueel is binnengedrongen. Verdachte heeft het seksueel binnendringen ontkend. Daarbij heeft [slachtoffer] aangegeven dat verdachte niet is binnengedrongen, omdat dit pijn deed. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde.
Beoordeling door de rechtbank
Bewijsmiddelen feit 1
Op 1 september 2020 is namens [slachtoffer] aangifte gedaan door [aangever] , de regiebehandelaar van [slachtoffer] . Hij heeft verklaard dat er vanuit [slachtoffer] signalen zijn gekomen dat er sprake is geweest van seksueel misbruik door [verdachte] (de rechtbank: verdachte). In augustus 2019 heeft [slachtoffer] een onthulling gedaan bij een begeleidster van de instelling waar [slachtoffer] woont. Zij heeft de begeleidster gemaild dat zij vroeger dingen heeft gedaan met een man met een glazen oog, waarvan zij toen niet wist wat het was. Aangever [aangever] heeft haar aangemeld bij een seksuoloog om te onderzoeken waardoor de beelden van de man met het glazen oog veroorzaakt werden. Aangever [aangever] heeft begrepen dat verdachte [slachtoffer] meerdere malen heeft gepenetreerd. [2]
Op 22 oktober 2020 heeft een studioverhoor met [slachtoffer] plaatsgevonden. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij, toen ze op de [locatie] in [plaats] woonde, op het kind van een man en een vrouw paste. Volgens haar zussen was zij toen ongeveer negen of tien jaar oud. Zij denkt dat de man haar aardig vond of verliefd op haar was. Eerst wreef de man alleen met zijn hand over haar been. Daarna ging zij ook samen met hem naar boven, naar de grote slaapkamer. De man ging dan met zijn piemel in haar vagina en dat deed heel veel pijn. Dit gebeurde vaker en het gebeurde op het bed en op de grond. Als het pijn deed zei zij ‘auw, het doet zeer’, waardoor de man even stopte. Hij ging dan vervolgens een aantal seconden later weer verder. Als de man met zijn piemel in haar vagina ging, bewoog hij een beetje heen en weer. Het duurde niet heel lang, omdat het heel veel pijn deed. Zij had dan binnen in haar vagina pijn. Zij voelde een heftige, stekende pijn in haar vagina. Als zij daarna naar de wc ging, schuurde en brandde het. [3]
De zus van [slachtoffer] , [getuige 1] , is als getuige gehoord. Zij heeft verklaard zij, haar vriendinnen en haar zusje [slachtoffer] , vrijwel dagelijks bij het gezin van verdachte op bezoek kwamen. [slachtoffer] was toen acht, negen of tien jaar oud. [slachtoffer] was altijd heel close met verdachte en mocht als enige kind naar boven in het huis van verdachte. Er werd dan gezegd dat zij boven een klusje ging doen. De andere kinderen die in het huis van verdachte over de vloer kwamen mochten nooit naar boven. [4]
De ex-partner van verdachte, [getuige 2] , is als getuige gehoord. Zij heeft verklaard dat [slachtoffer] elk weekend bij haar en haar ex-partner op bezoek kwam toen zij in de [locatie] woonden. De deur was altijd open. [slachtoffer] was toen ongeveer negen jaar oud. [5]
Uit de Basisregistratie Personen (BRP) blijkt dat verdachte van 24 januari 2002 tot 1 februari 2005 in de [locatie] in [plaats] heeft gewoond. [6]
Verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie verklaard dat het zou kunnen dat hij verliefd was op [slachtoffer] . Zij raakten elkaar aan. Ze knuffelden elkaar, gaven elkaar kusjes of liepen hand in hand. Ook heeft hij wel eens aan haar borsten en kont gezeten en het zou kunnen dat hij ook over haar been heeft gewreven. Daarnaast heeft hij verklaard dat er een voorval is geweest waarbij hij en [slachtoffer] allebei naakt waren. Hij wilde [slachtoffer] penetreren, maar op het moment dat ze ‘au’ zei stopte hij. Hij denkt dat haar vagina op dat moment pijn deed, omdat hij met zijn geslachtsdeel een klein stukje tussen haar schaamlippen kwam. Hij weet dat hij tussen haar schaamlippen kwam, omdat hij ernaar keek en zag dat hij tussen de schaamlippen zat. [7]
Juridisch kader
Ten laste is gelegd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zedenfeit. De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken zich regelmatig de situatie voordoet dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dat is ook in deze zaak het geval. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen met zich dat slechts de verklaringen van het vermeende slachtoffer als wettig bewijsmiddel voorhanden zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de enkele verklaring van één getuige in beginsel onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daar staat tegenover dat in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met een betrouwbare verklaring van het slachtoffer voldoende wettig bewijs kan opleveren.
Hoewel verdachte bij de politie een (deels) bekennende verklaring heeft afgelegd en heeft verklaard dat hij met zijn geslachtsdeel een klein stukje tussen de schaamlippen van [slachtoffer] is geweest, heeft hij dit ter terechtzitting ontkend. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij één keer met zijn geslachtsdeel tegen de schaamlippen van [slachtoffer] aan is geweest, maar daarbij niet bij haar is binnengedrongen. Ook heeft hij ter zitting verklaard dat alle seksuele handelingen met [slachtoffer] plaatsgevonden hebben in de periode na juni 2004 en voor 1 februari 2005.
Gelet op deze verklaring van verdachte en het tenlastegelegde ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of er sprake is geweest van het seksueel binnendringen, zoals [slachtoffer] heeft verklaard en zo ja, wanneer dit heeft plaatsgevonden. De vraag die de rechtbank in dit verband dan ook moet beantwoorden is of de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is en of deze in voldoende mate wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen
Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer]
De rechtbank overweegt dat [slachtoffer] consistent heeft verklaard over wat er tussen haar en verdachte heeft plaatsgevonden. Haar verklaring tijdens het studioverhoor komt op belangrijke onderdelen overeen met wat zij heeft verteld aan haar begeleiders/behandelaren en haar zus. Zo komt de aard van de handelingen (het seksueel binnendringen) overeen.
De rechtbank overweegt daarnaast dat [slachtoffer] een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd. Zij kan specifiek benoemen op welke locaties de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden en op welke manier zij pijn ervaarde, onder meer pijn bij het plassen. Zo heeft zij verklaard dat het wrijven over haar been plaatsvond als verdachte achter de computer zat en het seksueel binnendringen plaatsvond in de grote slaapkamer, op bed en op de grond. Ook weet zij zich te herinneren dat verdachte een keer aan haar vroeg ‘met of zonder condoom’ en zij op dat moment niet wist wat dat betekende. Dit maakt haar verklaring bovendien authentiek.
Ten slotte constateert de rechtbank dat haar verklaring op bepaalde punten bevestiging vindt in de stukken die zich in het dossier bevinden. Zo heeft zij verklaard dat zij dacht dat verdachte verliefd op haar was, hetgeen verdachte in zijn verklaring heeft bevestigd. Ook heeft [slachtoffer] verklaard dat het seksueel binnendringen steeds boven, in de grote slaapkamer in het huis van verdachte plaatsvond. Getuige [getuige 1] heeft bevestigd dat [slachtoffer] vaak naar boven mocht in het huis van verdachte, terwijl andere kinderen dat niet mochten. Bovendien heeft getuige [getuige 1] verklaard dat [slachtoffer] erg close was met verdachte. Gelet op dit alles acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar en neemt zij deze als uitgangspunt.
Steunbewijs
Nu de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar heeft bevonden, dient de rechtbank te beoordelen of deze voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] in grote lijnen wordt ondersteund door de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd. Verdachte heeft bij de politie immers verklaard dat er sprake is geweest van aanrakingen tussen hem en [slachtoffer] en dat er één voorval is geweest waarbij [slachtoffer] en hij naakt waren en hij met zijn geslachtsdeel een klein stukje tussen haar schaamlippen is geweest en is gestopt toen zij ‘au’ zei. Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft ontkend dat hij tussen de schaamlippen van [slachtoffer] is geweest, acht de rechtbank dit wel wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie ondubbelzinnig bekend dat er sprake is geweest van binnendringen en heeft daarbij aangegeven dat hij weet dat hij een klein stukje tussen de schaamlippen is geweest omdat hij dat zag. Ook heeft [slachtoffer] hierover gedetailleerd verklaard en heeft de rechtbank geen reden om aan haar verklaring te twijfelen. De rechtbank vindt daarnaast steun in de verklaring van [getuige 1] . Zij heeft verklaard dat [slachtoffer] en verdachte close waren en [slachtoffer] vaker in het huis van verdachte naar boven ging.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] in voldoende mate wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier. Nu er voldoende steunbewijs is voor de verklaring en de rechtbank de verklaring betrouwbaar acht, gaat de rechtbank uit van haar verklaring en acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op verschillende momenten seksuele handelingen bij [slachtoffer] heeft gepleegd die bestonden of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] .
De periode
[slachtoffer] heeft de gebeurtenissen zelf niet in tijd kunnen plaatsen. De tenlastelegging gaat uit van een periode gelegen tussen 24 januari 2002 en 1 februari 2005 (de periode waarin verdachte op de [locatie] woonde). Verdachte heeft verklaard dat alle handelingen vanaf juni 2004 hebben plaatsgevonden. In de periode daarvoor was hij vaak voor werk in Engeland. De rechtbank is van oordeel dat dit wordt weerlegd door de inhoud van de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] . [getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] acht, negen of tien jaar oud was toen zij veel bij verdachte en [getuige 2] kwam. [getuige 2] heeft verklaard dat [slachtoffer] ongeveer negen jaar oud was toen zij bijna elk weekend op bezoek kwam. [getuige 2] heeft niet aangegeven dat verdachte een bepaalde periode niet vaak thuis was. De rechtbank concludeert dan ook dat de seksuele handelingen, waaronder het seksueel binnendringen, hebben plaatsgevonden toen [slachtoffer] nog geen twaalf jaar oud was en verdachte op de [locatie] woonde. Dit was in de periode van 24 januari 2002 tot 30 augustus 2004. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de verklaring van verdachte.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair tenlastegelegde.

4.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
een of meerderetijdstippen in of omstreeks de periode tussen 24 januari 2002 en
1 februari 200530 augustus 2004te [plaats] ,
in elk geval in Nederland,met [slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,
een of meerhandeling
(en
)heeft gepleegd, die bestond
(en
)uit of mede bestond
(en
)uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn geslachtsdeel in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd/gebracht.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1, primair:
met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd

6.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

7.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met daarbij een contactverbod met [slachtoffer] als bijzondere voorwaarde. De officier van justitie heeft bij de eis rekening gehouden met de ernst van het feit, de proceshouding van verdachte, het feit dat hij uit Mexico is gekomen om zich te melden bij de politie en het feit dat geen sprake is van recidive ten aanzien van zedenfeiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf op te leggen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan het verrichten van seksuele handelingen bij [slachtoffer] , die mede bestonden uit het binnendringen van haar lichaam. [slachtoffer] was ten tijde van de handelingen nog geen twaalf jaar oud. Zij woonde in dezelfde flat als verdachte en kwam geregeld bij hem over de vloer om (met zijn zoontje) te spelen. Verdachte was ongeveer vijfentwintig jaar ouder dan [slachtoffer] . Bovendien was [slachtoffer] kwetsbaar door haar verstandelijke beperking. Verdachte heeft met zijn handelen een zeer ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit en heeft enkel oog gehad voor zijn eigen (lust)gevoelens. Het is algemeen bekend dat dergelijke delicten nog voor lange tijd negatieve psychische gevolgen hebben voor slachtoffers. Dat is ook in deze zaak het geval, zoals is gebleken uit de namens [slachtoffer] ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. Hierin is op indrukwekkende wijze verwoord wat het handelen van verdachte tot gevolg heeft gehad.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 2 december 2024, waaruit is gebleken dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van het reclasseringsadvies van 29 april 2025, waaruit blijkt dat verdacht een roerig verleden heeft gehad, waarbij sprake was van een harddrugsverslaving en een criminele carrière. Na 2013 heeft hij een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Hij volgde een klinisch traject en psychologische behandelingen, kickte af van drugs en werd ingesteld op medicatie. Sindsdien gaat het beter met hem. Hij is delict- en middelenvrij. Verder blijkt hieruit dat verdachte teruggekeerd is vanuit Mexico om zich te melden bij de politie voor deze strafzaak. Hij is bereid de consequenties van zijn gedrag te aanvaarden, ook als hij een straf opgelegd zou krijgen. De reclassering schat de kans op herhaling in als laag. Verdachte is goed in staat zijn leven adequaat en delictvrij vorm te geven. De reclassering acht een interventie of toezicht daarom niet nodig.
De straf
Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend. Zij zal daarom aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij zal de rechtbank als bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke straf een contactverbod met [slachtoffer] opleggen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

9.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert € 20.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden gematigd naar een bedrag van € 5.000,-. Het is onduidelijke welke klachten zijn veroorzaakt door verdachte.
Overweging van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek (BW). Blijkens de bij de vordering gevoegde verklaring van de ontwikkelingspsycholoog bij [organisatie] heeft de benadeelde partij last van PTSS-klachten. Zij heeft langdurige traumabehandeling ontvangen, maar zij zal haar hele leven last blijven houden van het misbruik. Rekening houdend met de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit en gelet op de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen, zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op € 10.000,-.
Wettelijke rente
Verdachte is vanaf 14 mei 2003 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 244 van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de strafvervolging ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde;
 verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte:
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1992.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
  • veroordeelt verdachte in verband met feit 1, primair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 10.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 mei 2003 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 10.000,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 mei 2003 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 85 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.D. Leen (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. A.J.H. Steenweg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.I. Nelissen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 juni 2025.
mr. Steenweg is buiten staat het onderhavige vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer
2.Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] , p. 26-29, met bijlagen p. 33 en 41-42.
3.Proces-verbaal uitwerking studioverhoor, p. 61-62; verslag verbatim studioverhoor, p. 65-85.
4.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 99-100.
5.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 105-106.
6.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 111.
7.Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 131-139.