ECLI:NL:RBGEL:2025:5914

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 juli 2025
Publicatiedatum
23 juli 2025
Zaaknummer
11200339
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWBesluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing schadevergoeding en incassokosten wegens werkzaamheden aan badkamer

In deze civiele zaak vordert eiser vergoeding van schade als gevolg van werkzaamheden aan zijn badkamer. Na een tussenvonnis waarbij eiser in de gelegenheid werd gesteld de omvang van de schade te bewijzen, overlegt eiser een schaderapport van een schade-expert dat een schadebedrag van €6.820,00 vaststelt.

Gedaagde heeft na deze gelegenheid niet meer gereageerd, waardoor de rechtbank uitgaat van de juistheid van de stellingen van eiser en de schade vaststelt op €6.820,00. Daarnaast vordert eiser vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, welke de rechtbank toewijst op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten, tot een bedrag van €716,00.

De wettelijke rente over zowel de hoofdsom als de incassokosten wordt toegewezen vanaf respectievelijk 1 maart 2024 en 13 juni 2024. Gedaagde wordt tevens veroordeeld in de proceskosten van €1.540,24, inclusief griffierecht, kosten dagvaarding, salaris gemachtigde en nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is op 30 juli 2025 gewezen door de kantonrechter.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €6.820,00 schadevergoeding, €716,00 incassokosten, wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11200339 \ CV EXPL 24-5630
Vonnis van 30 juli 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: AGIN Pranger Gerechtsdeurwaarders Assen,
tegen
[gedaagde] , H.O.D.N. [bedrijf 1],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 april 2025
- de akte van [eiser] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Wat in voormeld tussenvonnis is overwogen wordt hier overgenomen.
2.2.
In het tussenvonnis is [eiser] in de gelegenheid gesteld de omvang en de hoogte van de schade te bewijzen. [eiser] heeft bij akte van 14 mei 2025 onder verwijzing naar diverse producties een toelichting gegeven op de gevorderde schade. Zo heeft [eiser] toegelicht dat schade-expert [bedrijf 2] op 19 oktober 2023 ter plaatse is geweest om een onderzoek te verrichten in de woning van [eiser] , waarna een schaderapport is opgemaakt. [eiser] heeft dit schaderapport bij zijn laatste akte overgelegd. Daarin is de volgende schadevaststelling opgenomen waaruit blijkt dat de schade in totaal € 6.820,00 bedraagt:
2.3.
Hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft [gedaagde] niet meer gereageerd. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de stellingen van [eiser] . Dat betekent dat [eiser] geslaagd is in zijn bewijsopdracht en daarmee is vast komen te staan dat de door [eiser] geleden schade bestaat uit een bedrag van € 6.820,00. Dit betekent dat de gevorderde hoofdsom wordt toegewezen.
2.4.
[gedaagde] heeft de gevorderde wettelijke rente niet weersproken zodat deze wordt toegewezen als gevorderd.
2.5.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 716,00 worden toegewezen. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
2.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
140,24
- griffierecht
248,00
- salaris gemachtigde
1.017,00
(3 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.540,24

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 6.820,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 maart 2024, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 716,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 13 juni 2024, tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.540,24, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2025.
34124 / 53854