ECLI:NL:RBGEL:2025:6212
Rechtbank Gelderland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring klaagschrift tegen inhouding rijbewijs na weigering bloedproef
Op 30 mei 2025 werd het rijbewijs van klager ingevorderd nadat hij weigerde mee te werken aan een bloedproef na een verdenking van rijden onder invloed van cannabis. Klager stelde dat er fouten waren gemaakt bij het voorlopige onderzoek en dat hij zich niet bewust was van de consequenties van zijn weigering. Tevens voerde hij persoonlijke omstandigheden aan, zoals mantelzorg voor zijn moeder en de zorg voor zijn kinderen.
De officier van justitie verzette zich tegen teruggave van het rijbewijs en stelde dat klager voldoende was gewaarschuwd en geen onderbouwing gaf voor zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank oordeelde dat de inhouding van het rijbewijs rechtmatig was op grond van artikel 164 lid 4 WVW Pro 1994 en dat het strafvorderlijk belang zwaarder woog dan de persoonlijke omstandigheden van klager.
Klager verscheen niet in de raadkamer, maar zijn advocaat werd gehoord. De rechtbank vond dat klager bewust zijn medewerking had geweigerd ondanks duidelijke waarschuwingen en dat er een indicatie was voor cannabisgebruik. Ook werd gewezen op recidive van klager op het gebied van Wegenverkeerswet-feiten.
De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond en bevestigde de inhouding van het rijbewijs voor een periode van acht maanden, uiterlijk tot 25 januari 2026. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open.
Uitkomst: Het klaagschrift tegen de inhouding van het rijbewijs wordt ongegrond verklaard en de inhouding bevestigd tot 25 januari 2026.