Op 1 augustus 2025 heeft de wrakingskamer van de Rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, uitspraak gedaan op een wrakingsverzoek van een verzoeker. Dit verzoek volgde na een mondelinge uitspraak op 15 juli 2025, waarin de rechter een einduitspraak deed in een civiele zaak. De verzoeker, die in de procedure niet bij naam is genoemd, heeft het verzoek tot wraking ingediend omdat hij meende dat de rechtbank haar taak niet correct uitvoerde. Hij stelde dat de rechter als trustee had moeten optreden en dat de griffier als curator had moeten worden aangesteld. Daarnaast betoogde hij dat zijn zaak ten onrechte naar de bestuursrechter was verwezen, terwijl hij van mening was dat het een civiele handelszaak betrof. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat het wrakingsverzoek niet ontvankelijk is, omdat de wet geen mogelijkheid biedt voor wraking na een einduitspraak. De wrakingskamer heeft geconcludeerd dat er geen reden is voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting, aangezien het verzoek niet voldoet aan de wettelijke vereisten. De beslissing om verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren is in het openbaar uitgesproken, en tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.