De Staat vorderde vervroegde onteigening van een perceel ten behoeve van algemeen nut, met nihil schadeloosstelling. Na onherroepelijke intrekking van de vergunning voor een motorbrandstofverkooppunt op het perceel, en ontruiming door OHN, trok de Staat haar vordering in omdat het belang voor onteigening was komen te vervallen.
OHN verzette zich tegen deze intrekking en vorderde voortzetting van de procedure om haar schade te laten vaststellen, stellende dat intrekking onrechtmatig was en in strijd met de goede procesorde. OHN stelde dat de Staat onvoldoende had toegelicht waarom de vordering pas na ruim anderhalf jaar werd ingetrokken.
De rechtbank oordeelde dat de Staat te allen tijde haar vordering mocht intrekken en dat de intrekking niet te laat was. Door intrekking verviel het belang bij onteigening en bestaat geen grond voor schadeloosstelling binnen deze procedure. OHN kan een aparte procedure starten over onrechtmatige overheidsdaad. De rechtbank wees een mondelinge behandeling af en veroordeelde de Staat in de proceskosten van OHN, met een rolverwijzing voor nadere uitlating over de kostenopgave.