Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.[eiser 1] ,
[eiser 2],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 11 december 2024,
- de akte vermeerdering eis en overlegging productie 10 van [eisers] ,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 januari 2025,
- de akte uitlaten met producties 10 t/m 14 van [gedaagde] ,
- de akte uitlaten van [eisers] .
2.De feiten
3.Het geschil in de hoofdzaak
1. voor recht verklaart dat de aan [gedaagde] verrichte onverplichte rechtshandelingen zijn vernietigd, althans deze vernietigt, tot een bedrag van € 64.100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2025, althans dat de rechtbank een verklaring voor recht afgeeft met een zodanige strekking, zodanig bedrag en zodanige datum als in goede justitie te bepalen,
3. [gedaagde] veroordeelt om een bedrag van € 61.287,36 te betalen aan [eisers] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf [datum] 2007 tot de dag van algehele voldoening, althans een bedrag en rentedatum als door de rechtbank in goede justitie te bepalen,
€ 1.387,87, althans een bedrag en rentedatum als door de rechtbank in goede justitie te bepalen,
6. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover voor zover [gedaagde] in de gebreke blijft met voldoening daarvan na de veertiende dag na betekening van dit vonnis.
4.De beoordeling
de ontvankelijkheid van [eisers] in hun vorderingen
[naam 2] is daarmee partij in de onderhavige procedure geworden. Daaraan doet niet af dat [naam 2] in rechte niet is verschenen.
Ter zitting hebben [eisers] verklaard dat [naam 1] op de hoogte is van de onderhavige procedure en dat hij heeft aangegeven geen interesse te hebben in deze zaak. De rechtbank leidt hieruit af dat aannemelijk is dat [naam 1] , ook al zou de oproeping aan hem zijn betekend, niet in rechte zou zijn verschenen. De nalatenschap van moeder kan dus zonder [naam 2] en [naam 1] worden verdeeld.
Nu moet worden aangenomen dat de bank aan [gedaagde] geen medewerking verleent aan afgifte van rekeningafschriften van de holding, wat er overigens ook zij van de door de bank daarvoor opgegeven reden - [gedaagde] is immers enig erfgenaam van vader - heeft het geen zin om [gedaagde] te bevelen om de bankafschriften van de bankrekening [rekeningnummer] ten name van [de holding] in het geding te brengen.
Uit de successieaangifte naar aanleiding van het overlijden van moeder blijkt dat het erfdeel voor ieder van de kinderen € 20.673,-- bedraagt. Zij hebben uit dien hoofde een vordering op vader ter hoogte van dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente.
€ 64.100,-- in de boedel terug te keren.
Met een onverplichte rechtshandeling wordt bedoeld een rechtshandeling die wordt verricht zonder dat daartoe een op wet of overeenkomst berustende verplichting bestaat.
De hiervoor bedoelde wetenschap is niet vereist bij de wederpartij van de schuldenaar (de bevoordeelde) indien het gaat om een rechtshandeling om niet, dat wil zeggen een rechtshandeling waar geen contraprestatie tegenover staat. Dit volgt a contrario uit het bepaalde in artikel 3:45 lid 2 BW Pro.
Hierdoor kan de conclusie geen andere zijn dan dat vader de waarde van de onverdeelde helft in [adres 2] aan [gedaagde] heeft geschonken. De stelling van [eisers] dat omdat [gedaagde] niet financieel heeft bijgedragen aan de aankoop van [adres 2] , zij geen recht heeft op de helft van de overwaarde gaat dus niet op.
Hierop strandt het beroep op vernietiging van bedoelde rechtshandelingen.
Voor een geslaagd beroep op de actio Pauliana (artikel 3:45 BW Pro), die tot gevolg heeft dat de rechtshandeling vernietigbaar is, is in dit geval vereist dat vader bij het verrichten van de betalingen aan [gedaagde] wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling een of meer van zijn schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn. Die wetenschap is niet vereist bij [gedaagde] omdat het in deze zaak gaat om een onverplichte rechtshandeling om niet.
[eisers] hebben weliswaar gesteld dat [gedaagde] bij leven van vader ervan op de hoogte was dat zij jegens vader een aanspraak hadden op uitkering van hun erfdeel uit de nalatenschap van moeder, maar [gedaagde] heeft dit gemotiveerd bestreden. Zij stelt dat zij bij leven van vader niet wist dat zijn kinderen een vordering op hem hadden uit de nalatenschap van moeder. Voorts voert [gedaagde] aan dat enkel vader zich met de financiën bezig hield, dat hij haar ook niet op de hoogte hield van de financiën, dat vader voor zijn overlijden zoveel mogelijk heeft opgeruimd, dat vader buiten haar medeweten de administratie heeft verbrand alsmede dat zij alle stukken (dus ook de successieaangifte van vader) heeft moeten opvragen.
Tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] hebben [eisers] onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat [gedaagde] ten tijde van de ontvangst van de betaling in juli 2019 wist of behoorde te weten dat [eisers] een vordering op vader hadden en dat het vermogen van vader het betalen van die vordering niet meer toeliet. Het enkele feit dat vader en [gedaagde] een gemeenschappelijke bankrekening hadden, waar zij -naar [eisers] stellen- gezamenlijk op bankierden en van welke rekening vader en [gedaagde] samen de gezamenlijke (vaste en variabele) kosten betaalden is niet voldoende om te kunnen oordelen dat [gedaagde] op de hoogte was van de omvang van het privé-vermogen van vader.
€ 1.052,25 per 31 december 2024. Op de spaarrekening stond op 1 januari 2024 een bedrag van € 300,61, waarvan op 31 december 2024 nog € 1,07 over was. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat [gedaagde] ten tijde van het instellen van de vordering tot vernietiging van rechtshandelingen door de betalingen van vader niet was gebaat. De rechtbank kan verder -zonder nadere onderbouwing- niets met de suggestie van [eisers] dat er nog meer bankrekeningen bij andere banken of andere polissen of “potjes” zouden zijn op naam van [gedaagde] .
Dit heeft tot gevolg dat de vernietiging van de rechtshandeling (de betaling van
€ 14.000,--) ten aanzien van haar geen werking heeft, zo volgt uit het bepaalde in artikel 3:45 lid 3 BW Pro. [gedaagde] heeft dan ook met recht de bescherming ingeroepen die deze wetsbepaling haar biedt. [eisers] hebben dan ook geen rechtens te respecteren belang bij hun vordering, strekkende tot vernietiging van de betaling van € 14.000,--.
€ 64.100,-- ten onrechte niet daarbij zijn betrokken, faalt dit betoog omdat [gedaagde] niet gehouden is om het negatief saldo van de nalatenschap met dat bedrag aan te vullen.
[gedaagde] heeft ter zitting aangevoerd dat zij niet weet wat vader -op enkele uitgaven van in totaal ongeveer € 10.000,-- na- verder met zijn eigen geld heeft gedaan. Op [gedaagde] rust geen wettelijke verplichting om rekening en verantwoording af te leggen over de uitgaven van vader. Aan het feit dat er onduidelijkheid is blijven bestaan over wat vader met zijn eigen geld heeft gedaan, kunnen [eisers] dan ook geen rechtsgevolgen ten nadele van [gedaagde] verbinden.
Artikel 6:96 BW Pro biedt geen zelfstandige grondslag voor vergoeding van de hier bedoelde kosten, maar veronderstelt dat een wettelijke verplichting tot schadevergoeding bestaat.
5.De beslissing
13 augustus 2025.