ECLI:NL:RBGEL:2025:6889

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 juni 2025
Publicatiedatum
15 augustus 2025
Zaaknummer
C/05/447334 / HZ ZA 25-34
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 CMRArt. 210 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing oproeping bedrijf in vrijwaring in transportgeschil op grond van artikel 34 CMR

In deze civiele procedure vordert gedaagde dat het bedrijf dat het transport heeft uitgevoerd in vrijwaring wordt opgeroepen. Gedaagde stelt dat zij het transport heeft uitbesteed aan dit bedrijf en dat dit bedrijf aansprakelijk is voor de gevolgen van een eventuele veroordeling jegens eiser.

Eiser betwist het bestaan van een rechtsgrondslag voor de vrijwaring en voert aan dat het incident onnodig complex is, disproportionele vertraging veroorzaakt en mogelijk misbruik van procesrecht betreft. De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 34 CMR Pro alle opvolgende wegvervoerders aansprakelijk zijn en dat het ontbreken van een contractuele relatie tussen eiser en het bedrijf niet aan oproeping in de weg staat.

De rechtbank ziet onvoldoende reden om de vordering af te wijzen wegens onredelijke vertraging of misbruik van procesrecht. Ook wordt het argument dat de vrijwaringsprocedure de hoofdzaak onnodig complex maakt verworpen. De oproeping van het bedrijf in vrijwaring wordt daarom toegestaan, met compensatie van de proceskosten door elke partij voor eigen rekening. De hoofdzaak wordt aangehouden tot verdere behandeling.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van gedaagde toe om het bedrijf in vrijwaring op te roepen en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/447334 / HZ ZA 25-34
Vonnis in incident van 4 juni 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.M.N.C. Schellekens te Amsterdam,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J. Mulder te Hoogeveen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van de zijde van [gedaagde]
- de conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident van de zijde van [eiser] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil en de beoordeling in het incident

2.1.
[gedaagde] vordert dat haar wordt toegestaan [bedrijf]
(hierna: [bedrijf] ) in vrijwaring op te roepen. [gedaagde] stelt hiertoe dat zij het in opdracht van [eiser] uit te voeren transport heeft uitbesteed aan [bedrijf] . Indien [gedaagde] aansprakelijk is jegens [eiser] , heeft [gedaagde] er belang bij [bedrijf] in vrijwaring op te roepen.
2.2.
[eiser] voert aan dat [gedaagde] heeft nagelaten een feitelijke of juridische grondslag aan te dragen voor de aanspraak jegens [bedrijf] . Verder is het vrijwaringsincident niet doelmatig, onnodig complex en veroorzaakt het een disproportionele, onredelijke vertraging van de hoofdzaak, waardoor een afweging van de belangen van [eiser] enerzijds en de belangen van [gedaagde] anderzijds leidt tot afwijzing, aldus [eiser] .
2.3.
Voor toewijzing van de vordering van [gedaagde] tot oproeping van [bedrijf] in vrijwaring is op grond van artikel 210 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (RV) vereist dat [gedaagde] zich met redenen omkleed beroept op een rechtsverhouding met [bedrijf] , die meebrengt dat [bedrijf] verplicht is de nadelige gevolgen van een eventuele veroordelende beslissing in de hoofdzaak te dragen. [gedaagde] stelt dat zij het transport heeft uitbesteed aan [bedrijf] en dat [gedaagde] er recht en belang bij heeft [bedrijf] in vrijwaring op te roepen. Uit artikel 34 Verdrag Pro betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) volgt dat in een geval waarin een vervoer onderworpen is aan één hoofdovereenkomst en wordt bewerkstelligd door opvolgende wegvervoerders, alle opvolgende wegvervoerders partij worden bij die hoofdovereenkomst en ieder van hen aansprakelijk is voor de bewerkstelliging van het gehele vervoer. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] bedoelt dat zij een rechtsverhouding heeft met [bedrijf] , die voor [bedrijf] een verplichting tot vrijwaring meebrengt. Dat tussen [eiser] en [bedrijf] geen contractuele verplichtingen bestaan, zoals [eiser] aanvoert, staat aan toewijzing van de incidentele vordering tot oproeping van [bedrijf] in vrijwaring niet in de weg. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een in beginsel toewijsbare incidenteel gevorderde oproeping in vrijwaring.
2.4.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat de oproeping in vrijwaring door [gedaagde] niet doelmatig, onnodig en disproportioneel is gelet op onredelijke en onnodige vertraging van de hoofdzaak. Op grond van een belangenafweging van partijen en de eisen van een doelmatige procesvoering kan de vordering tot vrijwaring worden afgewezen, indien onredelijke of onnodige vertraging van het geding te verwachten is
(Hoge Raad 10 april 1992, NJ 1992, 446). Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd waarom in dit concrete geval sprake is van onredelijke of onnodige vertraging die, gelet op hetgeen in overweging 2.3 is overwogen, tot afwijzing van de incidentele vordering zou moeten leiden. Het ontbreken aan spoedeisend belang aan de zijde van [gedaagde] , zoals [eiser] aanvoert, doet hier niet aan af.
2.5.
[eiser] voert verder aan dat bij haar het vermoeden bestaat dat [gedaagde] de incidentele vordering tot het oproepen van [bedrijf] in vrijwaring heeft ingesteld met de intentie om de voortgang van de hoofdprocedure te vertragen en dat daarom sprake is van misbruik van procesrecht. De rechtbank gaat hier niet in mee. Waar de wet aan
[gedaagde] de mogelijkheid biedt een vrijwaringsincident op te werpen, kan het enkele feit dat [gedaagde] van die mogelijkheid gebruik maakt niet tot de conclusie leiden dat zij misbruik van procesrecht maakt door dat vrijwaringsincident op te werpen.
2.6.
[eiser] voert daarnaast aan dat tussenkomst van [bedrijf] de hoofdzaak onnodig complex maakt. [eiser] miskent daarbij echter dat de hoofdzaak niet inhoudelijk wordt beïnvloed door stellingen en weren in de vrijwaringszaak. Derhalve valt niet in te zien hoe een vrijwaringsprocedure tot (onnodige) complexiteit van de hoofdzaak zal leiden.
2.7.
Tot slot voert [eiser] aan dat [gedaagde] niet aannemelijk heeft gemaakt dat een afzonderlijke behandeling van de vrijwaringszaak na de hoofdzaak leidt tot inconsistenties of tegenstrijdige uitspraken. Ook dit kan niet leiden tot afwijzing van de incidentele vordering van [gedaagde] , nu vrees voor inconsistente of tegenstrijdige rechtspraak niet is vereist voor toewijzing van een vrijwaringsincident.
2.8.
De slotsom is dat de incidentele vordering van [gedaagde] tot oproeping van [bedrijf] in vrijwaring zal worden toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het vrijwaringsincident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zal de rechtbank de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beoordeling in de hoofdzaak

3.1.
Door [gedaagde] is nog niet geconcludeerd voor antwoord in de hoofdzaak zodat de rechtbank de zaak weer op de rol zal plaatsen van 16 juli 2025 voor conclusie van antwoord door [gedaagde] .
3.2.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
staat toe dat [bedrijf] door [gedaagde] wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 2 juli 2025,
4.2.
verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.3.
compenseert de kosten van dit incident tussen partijen, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
4.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 juli 2025 voor conclusie van antwoord door [gedaagde] ,
4.5.
houdt iedere verdere beslissing verder aan,
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door de rolrechter mr. K.H.A. Heenk op 4 juni 2025.
JV/KH