Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2025:6891

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 juni 2025
Publicatiedatum
15 augustus 2025
Zaaknummer
C/05/448679 / HZ ZA 25-61
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 2 EEX-Verordening nr. 44/2001Art. 216 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 10:3 Burgerlijk WetboekArt. 210 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter en oproeping in vrijwaring bij internationaal civiel geschil

In deze civiele zaak met internationaal karakter vordert [gedaagde 1] dat [gedaagde 2] in vrijwaring wordt opgeroepen. De rechtbank stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van artikel 6 lid 2 EEX Pro-Verordening nr. 44/2001 en artikel 216 Rv Pro, omdat de hoofdzaak bij deze rechter aanhangig is.

De rechtbank beoordeelt dat Nederlands procesrecht van toepassing is op het incident, conform artikel 10:3 BW Pro. De vordering tot oproeping in vrijwaring wordt toegewezen omdat [gedaagde 1] voldoende heeft gesteld dat zij verhaal kan halen op [gedaagde 2] indien zij in de hoofdzaak aansprakelijk wordt gesteld.

De proceskosten in het incident worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De hoofdzaak wordt aangehouden en op 16 juli 2025 voortgezet met de conclusie van antwoord van [gedaagde 1].

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot oproeping in vrijwaring toe en bevestigt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/448679 / HZ ZA 25-61
Vonnis in incident van 4 juni 2025
in de zaak van
[eiseres],
te [vestigingsplaats] , [land] ,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. C.W. Houtman te Arnhem,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
advocaat: mr. S.C. Kniestedt te Nijmegen,
2.
[gedaagde 2] , handelend onder de naam [bedrijf 1],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. F.W.H. Weelen te Eindhoven,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2]
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van de zijde van [gedaagde 1]
- de akte tot referte in het incident van [eiseres] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil en de beoordeling in het incident

Rechtsmacht Nederlandse rechter
2.1.
De rechtbank stelt voorop dat de vordering een internationaal karakter heeft omdat [eiseres] (eiseres in de hoofdzaak) een rechtspersoon is naar buitenlands recht die in het buitenland is gevestigd. Daarom dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Op grond van
artikel 6 lid 2 EEX Pro-Verordening nr. 44/2001 en artikel 216 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de rechter bij wie de hoofdzaak aanhangig is, ook bevoegd kennis te nemen van de vrijwaringszaak. De Nederlandse rechter is derhalve bevoegd kennis te nemen van de incidentele vordering van [gedaagde 1] tot oproeping van [gedaagde 2] in vrijwaring.
Toepasselijk recht
2.2.
Nu de vordering een internationaal karakter heeft, dient tevens te worden beoordeeld welk recht van toepassing is. Wat betreft het procesrecht is in internationale gedingen uitgangspunt dat dit wordt beheerst door de wet van het land van de aangezochte rechter. In lijn hiermee is in artikel 10:3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaald dat op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter het Nederlandse recht van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat de in onderhavige zaak aan de orde zijnde incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring, beoordeeld dient te worden naar Nederlands procesrecht.
Vrijwaring
2.3.
[gedaagde 1] vordert dat haar wordt toegestaan [gedaagde 2] in vrijwaring op te roepen. [gedaagde 1] stelt daartoe, samengevat, dat [gedaagde 2] wanprestatie heeft gepleegd dan wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde 1] . Indien de vorderingen van [eiseres] jegens [gedaagde 1] in de hoofdzaak door de rechtbank zullen worden toegewezen, is [gedaagde 2] aansprakelijk voor de schade van [gedaagde 1] .
2.4.
[eiseres] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
2.5.
Voor toewijzing van de vordering van [gedaagde 1] tot oproeping in vrijwaring van [gedaagde 2] is vereist dat zij zich met redenen omkleed beroept op een rechtsverhouding met [gedaagde 2] , die meebrengt dat [gedaagde 2] verplicht is de nadelige gevolgen van een eventuele veroordelende beslissing in de hoofdzaak te dragen (artikel 210 Rv Pro). [gedaagde 1] heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat zij, indien de beslissing in de hoofdzaak voor haar nadelig zal uitvallen, verhaal heeft op [gedaagde 2] . De vordering tot oproeping in vrijwaring zal daarom worden toegewezen.
2.6.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het vrijwaringsincident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zal de rechtbank de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beoordeling in de hoofzaak

3.1.
Door [gedaagde 1] is nog niet geconcludeerd voor antwoord in de hoofdzaak zodat de rechtbank de zaak weer op de rol zal plaatsen van 16 juli 2025 voor conclusie van antwoord door [gedaagde 1] .
3.2.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
staat toe dat [gedaagde 2] door [gedaagde 1] wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 2 juli 2025,
4.2.
verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.3.
compenseert de kosten van dit incident tussen partijen, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
4.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 juli 2025 voor conclusie van antwoord door [gedaagde 1] ,
4.5.
houdt iedere verdere beslissing verder aan,
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door de rolrechter mr. K.H.A. Heenk op 4 juni 2025.
JV/KH