Art. 118 RvArt. 4:7 lid 1 onder a BWArt. 4:203 lid 2 BWArt. 4:222 BWArt. 3:185 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid vorderingen tot verdeling nalatenschap tijdens vereffening
De zaak betreft een geschil tussen twee zussen over de verdeling van de nalatenschappen van hun overleden ouders. De moeder overleed in 2022 en liet een testament na met een ouderlijke boedelverdeling, waarbij de vader de bezittingen erfde en de zussen een vordering op hem hadden. De vader overleed in 2023, waarna de zussen ieder voor de helft erfgenaam zijn van zijn nalatenschap, die beneficiair is aanvaard.
De rechtbank benoemde in september 2024 een vereffenaar voor de nalatenschap van de vader. De eiseres vorderde onder meer de vaststelling van de verdeling van de nalatenschap van de vader en moeder, terwijl de gedaagde in reconventie eveneens verdelingsvorderingen en andere verklaringen vorderde. Tevens verzocht de eiseres om de vereffenaar op te roepen in de procedure, wat door de gedaagde werd bestreden vanwege het vergevorderde stadium van de vereffening en vermeende kostenverhoging.
De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 4:222 BWPro en artikel 118 RvPro gedurende de vereffening de vereffenaar privatief bevoegd is en dat vorderingen tot verdeling prematuur en niet-ontvankelijk zijn zolang de vereffening niet is voltooid. Het arrest van de Hoge Raad van 2017 biedt geen aanleiding tot afwijking in deze zaak. Ook de reconventionele vorderingen tot verdeling worden afgewezen. De overige vorderingen van de gedaagde betreffen interne vereffeningskwesties die niet door de rechtbank kunnen worden beslecht zolang de vereffenaar in functie is.
De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De vorderingen van de eiseres worden niet-ontvankelijk verklaard en de vorderingen van de gedaagde afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de vorderingen tot verdeling van de nalatenschap niet-ontvankelijk zolang de vereffenaar in functie is.
Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/447519 / HZ ZA 25-40
Vonnis van 23 juli 2025
in de zaak van
[eiseres in conv], in haar hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschappen van [de moeder] en [de vader] ,
te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres in conv] ,
advocaat: mr. D. van de Lockant-Geschiere,
tegen
[gedaagde in conv], in haar hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschappen van [de moeder] en [de vader] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde in conv] ,
advocaat: mr. M.P.L.M. Buijsrogge.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding - de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie - de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte oproeping vereffenaar in de zin van artikel 118 WetboekPro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
- de door mr. Buijsrogge per e-mail verzonden reactie van 20 mei 2025 op de akte oproeping vereffenaar in de zin van artikel 118 RvPro.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.De feiten
2.1.
[eiseres in conv] en [gedaagde in conv] zijn zussen. Op [datum] 2022 is de moeder van [eiseres in conv] en [gedaagde in conv] , [de moeder] (hierna: “moeder”) overleden. De inhoud van het testament van moeder van 21 februari 1995 omvatte een ouderlijke boedelverdeling, waardoor alle bezittingen van moeder toekwamen aan de vader van [eiseres in conv] en [gedaagde in conv] , [de vader] (hierna: “vader”). [eiseres in conv] en [gedaagde in conv] kregen een vordering ter hoogte van een derde van de nalatenschap van moeder op vader, welke opeisbaar werd na overlijden van vader.
2.2.
Vader is op [datum] 2023 overleden. [eiseres in conv] en [gedaagde in conv] zijn ieder voor de helft gerechtigd tot de nalatenschap van vader volgens het testament van vader van
21 februari 1995. [eiseres in conv] en [gedaagde in conv] hebben de nalatenschap van vader beneficiair aanvaard.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 12 september 2024 is [de vereffenaar] (hierna: “de vereffenaar”) benoemd als vereffenaar in de nalatenschap van vader.
3.Het geschil
in conventie
3.1.
[eiseres in conv] vordert in conventie – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te verklaren voor recht dat het aandeel van [gedaagde in conv] en [eiseres in conv] in de nalatenschap van moeder € 61.846,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
4 februari 2022 bedraagt voor ieder van hen beiden en dat deze bedragen een vordering vormen in de nalatenschap van vader,
II. te verklaren voor recht dat de nalatenschap van vader de activa en passiva omvat, zoals aangegeven in punt 8 van de dagvaarding,
III. primair: de verdeling van de nalatenschap van vader vast te stellen als aangegeven in de dagvaarding,
subsidiair: de wijze van verdeling van de nalatenschap van de ouders van partijen vast te stellen naar billijkheid,
IV. [gedaagde in conv] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.
in reconventie
3.2.
[gedaagde in conv] vordert in reconventie – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te verklaren voor recht dat de schulden op de voorlopige boedelbeschrijving per
[datum] 2023 onder “3. Diverse schulden”, schulden van de nalatenschap zijn in de zin van artikel 4:7 lid 1 onderPro a van het Burgerlijk Wetboek (BW) die voldaan dienen te worden uit de nalatenschap voor verdeling,
II. te verklaren voor recht dat de vordering uit hoofde van het gestelde in randnummer 43 (zo begrijpt de rechtbank) ten bedrage van € 13.866,00 een schuld is van de nalatenschap in de zin van artikel 4:7 lid 1 onderPro a BW die voldaan dient te worden uit de nalatenschap voor verdeling,
III. de verdeling van de nalatenschap vast te stellen op een nader door [gedaagde in conv] een te geven wijze,
IV. [gedaagde in conv] en [eiseres in conv] te veroordelen binnen een week na betaling van het saldo van de nalatenschap bij helfte over te gaan tot opheffing van de bankrekeningen op naam van vader c.q. [de erven] , waarbij bij gebreke van medewerking door [eiseres in conv] dit vonnis in de plaats treedt van medewerking,
V. indien de rechtbank oordeelt dat de nalatenschap een vordering heeft op [gedaagde in conv] ten bedrage van € 40.000,00 uit hoofde van aankoop van een aandeel in de vof, te beslissen dat op dit bedrag het bedrag van € 13.866,00 en de voorgeschoten kosten van de begrafenis van € 723,85 in mindering dienen te worden gebracht waardoor [gedaagde in conv] € 25.410,15 dient te voldoen aan de nalatenschap,
VI. [eiseres in conv] te veroordelen in de proceskosten.
3.3.
[eiseres in conv] vordert bij conclusie van antwoord in reconventie dat haar op grond van artikel 118 RvPro wordt toegestaan de vereffenaar op te roepen in de procedure. [eiseres in conv] stelt daartoe, samengevat, dat de vereffenaar op 12 september 2024 is benoemd, na het uitbrengen van de dagvaarding op 19 augustus 2024, waardoor het voor [eiseres in conv] niet mogelijk was de vereffenaar direct bij dagvaarding op te roepen.
3.4.
[gedaagde in conv] kan zich niet verenigen met het oproepen van de vereffenaar in de procedure. [gedaagde in conv] voert aan dat de vereffening zich in een vergevorderd stadium bevindt. Bovendien wist [eiseres in conv] op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding dat er binnen afzienbare tijd een vereffenaar benoemd zou worden. Tevens zal het oproepen van de vereffenaar de kosten van vereffening onevenredig doen toenemen. Tot slot is het verzoek van [eiseres in conv] te laat ingediend.
4.De beoordeling in conventie en in reconventie
4.1.
De rechtbank oordeelt ten aanzien van de vorderingen van [eiseres in conv] in conventie als volgt. Bij beschikking van deze rechtbank van 12 september 2024 is de vereffenaar benoemd. De door de rechtbank benoemde vereffenaar treedt op de voet van
artikel 4:203 lid 2 BWPro in de plaats van de erfgenamen en vertegenwoordigt de erfgenamen in en buiten rechte bij de vervulling van zijn taak. Deze vertegenwoordigingsbevoegdheid is privatief, dat wil zeggen met uitsluiting van de erfgenamen. [eiseres in conv] vorderingen strekken tot verdeling van de nalatenschap. Artikel 4:222 BWPro bepaalt dat gedurende de vereffening van titel 7 van boek 3 BW slechts de artikelen 166, 167, 169, 170 lid 1 en 194 lid 2 van toepassing zijn. Daaruit vloeit voort dat het gedurende de vereffening niet mogelijk is dat een deelgenoot op grond van artikel 3:185 BWPro vordert dat de rechter de wijze van verdeling gelast of de verdeling vaststelt. In beginsel geldt derhalve dat, zolang de vereffening niet is voltooid, een partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering voor zover die strekt tot verdeling. Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:939) volgt weliswaar dat in bepaalde omstandigheden van dit uitgangpunt kan worden afgeweken, maar van dergelijke omstandigheden is in onderhavig geval geen sprake, althans zijn die niet gesteld noch in conventie noch in reconventie. De rechtbank acht de vorderingen van [eiseres in conv] strekkende tot verdeling van de nalatenschap dan ook prematuur. Zolang de vereffenaar nog in functie is, geldt diens privatieve bevoegdheid, zoals hiervoor is omschreven. De rechtbank zal [eiseres in conv] daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen in conventie.
4.2.
Ten aanzien van de vorderingen van [gedaagde in conv] in reconventie strekkende tot de verdeling van de nalatenschap op een nader door [gedaagde in conv] een te geven wijze, oordeelt de rechtbank eveneens dat deze vordering prematuur is zolang de vereffenaar nog in functie is. Dit geldt tevens voor de vordering strekkende tot opheffing van de bankrekeningen van vader. De rechtbank zal deze vorderingen derhalve afwijzen. Bovendien merkt de rechtbank op dat het bij verdeling onnodig is om een andere wijze van verdeling dan in conventie gevorderd middels een reconventionele vordering te vragen. De betwisting van de gevraagde verdeling en voorstellen tot een andere te komen is dan voldoende. Een daartoe strekkende reconventionele eis is dus onnodig en werkt vertragend in de procedure.
4.3.
Ten aanzien van de overige vorderingen van [gedaagde in conv] in reconventie, oordeelt de rechtbank als volgt. Dit zijn vraagstukken die binnen de vereffening dienen worden opgehelderd. Hetzij in overleg, hetzij bij verzet, hetzij bij gerechtelijke uitspraak in een procedure met de vereffenaar. De rechtbank zal ook deze vorderingen daarom afwijzen.
4.4.
Gelet op de relatie tussen partijen zal de rechtbank bepalen dat de proceskosten tussen partijen zowel in conventie als in reconventie zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1.
verklaart [eiseres in conv] niet-ontvankelijk in haar vorderingen,
5.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in reconventie
5.3.
wijst de vorderingen van [gedaagde in conv] af,
5.4.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.K.J. Steketee en in het openbaar uitgesproken op