Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2025:7242

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 augustus 2025
Publicatiedatum
27 augustus 2025
Zaaknummer
ARN 24/1557
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 22j Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar overdrachtsbelasting wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding

Belanghebbende betaalde op 8 juni 2022 € 15.200 aan overdrachtsbelasting en diende op 26 juli 2023 bezwaar in tegen deze betaling. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de bezwaartermijn van zes weken.

De rechtbank oordeelt dat belanghebbende in staat was tijdig bezwaar te maken, maar dit niet heeft gedaan omdat hij zijn vader niet onder druk wilde zetten om te verhuizen. Deze omstandigheid is aan belanghebbende toe te rekenen en vormt geen verschoonbare termijnoverschrijding.

Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van belanghebbende is ongegrond, waardoor hij geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de overdrachtsbelasting is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/1557

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 27 augustus 2025

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Zwolle, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 9 augustus 2023.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening van overdrachtsbelasting op aangifte naar een te betalen bedrag van € 15.200.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en, namens de inspecteur, de heer [persoon A] en mevrouw [persoon B] .

Feiten

1. Belanghebbende heeft op 8 juni 2022 € 15.200 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. Hij heeft vervolgens op 26 juli 2023 bezwaar gemaakt tegen die voldoening. De inspecteur heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het bezwaar tegen de aanslag terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] De bezwaartermijn vangt in dit geval aan met ingang van de dag na die van de voldoening op aangifte van de overdrachtsbelasting. [2] Het bezwaar is niet-ontvankelijk wanneer het bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn is ingediend, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaar in verzuim is geweest. [3] In geval van indiening van een bezwaarschrift is daarvan sprake indien de belanghebbende pas na het verstrijken van de bezwaartermijn een bezwaarschrift heeft ingediend als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid, en tevens de belanghebbende, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het bezwaarschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. [4]
5. Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. Het gaat alleen om de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Hierover heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat het altijd de bedoeling was om met zijn gezin in het huis van zijn vader te gaan wonen en dat hij in staat was om tijdig bezwaar te maken, maar dat hij dat niet heeft gedaan omdat zijn vader de woning nog bewoonde en hij zijn vader niet onder druk wilde zetten. Van een termijnoverschrijding als gevolg van een niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheid is geen sprake, zodat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Hoe goed bedoeld ook, het is een keuze geweest van belanghebbende om niet tijdig bezwaar te maken. Dit kan niet achteraf worden hersteld met een beroep op een verschoonbare termijnoverschrijding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat belanghebbende ongelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van J.M.A.A. Dijksterhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 27 augustus 2025
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
4.Hoge Raad, 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625.