Deze uitspraak betreft twee aan verzoekster opgelegde lasten onder dwangsom wegens vermeende overtreding van de algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving zoals omschreven in artikel 1.7 van de Omgevingswet. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe stelde dat verzoekster onvoldoende maatregelen nam tegen stofvorming op haar percelen, wat een risico voor de gezondheid van omwonenden zou opleveren.
Na onderzoek door een extern bureau (RPS) en meerdere controles concludeerde het college dat sprake was van overtreding en legde zij twee lasten onder dwangsom op, respectievelijk op 19 juni en 4 juli 2025. Verzoekster maakte bezwaar en verzocht om voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter beoordeelde dat het spoedeisend belang ontbrak voor de last van 19 juni 2025 en wees dat verzoek af.
Voor de last van 4 juli 2025 was het spoedeisend belang wel aanwezig. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de overtreding niet aannemelijk was, mede omdat het RPS-rapport geen verhoogd gezondheidsrisico vaststelde en onvoldoende onderzoek was gedaan naar effecten op omwonenden. Daarom werd de eerdere schorsing verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
De voorzieningenrechter benadrukte dat hoewel het wenselijk is dat verzoekster maatregelen neemt om stofvorming te minimaliseren, dit niet dwingend kan worden opgelegd zonder overtreding. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekster.