Op 27 maart 2022 vond een verkeersongeval plaats waarbij een motorrijder werd aangereden door een door de automobilist bestuurde auto. De toedracht was onduidelijk, waarbij de motorrijder stelde dat hij was aangereden en de automobilist dat de motorrijder hem had geraakt. De rechtbank stelde vast dat de automobilist de motorrijder heeft ingehaald en aangereden, waarbij de motorrijder letsel opliep aan zijn linkervoet.
De rechtbank baseerde zich op verklaringen van getuigen, het politieproces-verbaal en een verkeersanalyse die concludeerden dat de automobilist sneller reed en de motorrijder rechts naast hem reed toen de automobilist besloot in te halen. De automobilist vertoonde gevaarlijk rijgedrag door op of kort na de rotonde in te halen waar dit verboden was. De motorrijder had geen eigen schuld aan het ongeval, ondanks de stelling van de automobilist dat de motorrijder een slaande beweging maakte.
De rechtbank veroordeelde de automobilist en zijn verzekeraar hoofdelijk tot vergoeding van de materiële en immateriële schade van de motorrijder. Tevens werden de proceskosten aan de zijde van de motorrijder toegewezen. De automobilist was eerder strafrechtelijk veroordeeld voor doorrijden na een aanrijding en verkeersovertredingen in verband met het ongeval.