De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een twee weken oude baby in een neutraal crisispleeggezin vanwege zorgen over de zorgcapaciteit van de moeder en spanningen tussen moeder en oma.
De moeder gaf tijdens de zitting aan zelf voor het kind te willen zorgen en zoekt meer contact met de baby. De kinderrechter hecht belang aan hechtingsontwikkeling en het voorkomen van onnodige overplaatsing. Daarom wordt afgeweken van het verzoek van de Raad en wordt de machtiging verleend voor plaatsing bij de oma en stiefopa, waarbij de moeder ook mag verblijven.
De voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging gelden voor drie maanden en zijn uitvoerbaar bij voorraad. De kinderrechter acht het noodzakelijk om de ontwikkeling van het kind te beschermen en ziet voldoende waarborgen voor een veilige plaatsing bij de familie, met mogelijkheid tot contactbeperking als dat nodig blijkt.