Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 28 augustus 2025,
- de pleitnota van [eiser] ,
- de pleitnota van [gedaagde] .
2.De feiten
8. Gemeenschappelijk bewoonde woning
Rechtbank Gelderland
Partijen hadden een affectieve relatie en samenwoonden in een gezamenlijk eigendom woning. Op 8 oktober 2024 sloten zij een notariële samenlevingsovereenkomst waarin werd vastgelegd dat de man een bedrag van €44.500 meer had geïnvesteerd in de woning dan zijn aandeel, wat een vordering op de vrouw opleverde.
Na beëindiging van de relatie door de man op 11 oktober 2024, legde de man conservatoir derdenbeslag onder de notaris op het aandeel van de vrouw in de verkoopopbrengst van de woning. De vrouw vorderde in kort geding opheffing van dit beslag, stellende dat sprake was van dwaling bij het aangaan van de overeenkomst en dat de vordering ondeugdelijk was.
De man voerde verweer en stelde dat de samenlevingsovereenkomst dwingend bewijs oplevert en dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van dwaling. De rechtbank overwoog dat in kort geding slechts summierlijk tegenbewijs kan worden geleverd en dat de vrouw dit onvoldoende heeft gedaan.
De rechtbank oordeelde dat het beslag niet kan worden opgeheven en veroordeelde de man om het beslag op het surplus boven het toegestane bedrag vrij te geven. De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het conservatoir derdenbeslag wordt afgewezen, maar het beslag op het surplusbedrag wordt vrijgegeven.