ECLI:NL:RBGEL:2025:7846

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 september 2025
Publicatiedatum
19 september 2025
Zaaknummer
255015.22
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor poging tot doodslag en openlijk geweld met vuurwapen

Op 11 september 2025 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die betrokken was bij een gewelddadig incident op 6 oktober 2022. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden voor poging tot doodslag, omdat hij met een vuurwapen schoot in de richting van een groep mannen die hem belaagden. De rechtbank kwalificeerde dit als een ernstige misdaad, gezien het gebruik van een vuurwapen in een openbare setting. Daarnaast werden twee andere verdachten, op wie was geschoten, veroordeeld tot taakstraffen van respectievelijk 180 en 144 uur voor openlijk geweld, bedreiging en het beschikken over een gaspistool. Een derde verdachte kreeg een taakstraf van 54 uur voor het beschikken over een gaspistool. De rechtbank oordeelde dat de verdachte niet voldoende betrokken was bij de openlijke geweldpleging en sprak hem vrij van de ten laste gelegde feiten 1 en 2, maar achtte het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie wel bewezen. De rechtbank hield rekening met de ernst van het delict en de omstandigheden van de verdachte bij het bepalen van de straf. De rechtbank matigde de straf met 10% vanwege overschrijding van de redelijke termijn, wat resulteerde in een taakstraf van 54 uren. De benadeelde partijen, slachtoffers van het geweld, werden niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering tot schadevergoeding, omdat de verdachte was vrijgesproken van de feiten die aan de vordering ten grondslag lagen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.255015.22
Datum uitspraak : 11 september 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] (Haïti),
wonende aan de [adres 1] , [postcode] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. A.A. Dooijeweerd, advocaat in Zutphen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 6 oktober 2022 te [plaats 1] , althans in Nederland, openlijk, in de straat [straatnaam] ter hoogte van nummer [huisnummer] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer goed(eren), te weten een (beveiligings)camera, door meermalen, althans eenmaal met een of meerdere stalen en/of houten honkbalknuppel(s) tegen/op deze camera te slaan en/of deze camera van diens bevestiging op de muur af te breken en/of te forceren, en/of een personenauto, door een groencontainer tegen dit voertuig aan te gooien/duwen/forceren;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 oktober 2022 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk, een of meer goed(eren), te weten een (beveiligings)camera, in elk geval enig goed, en/of een personenauto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2
hij op of omstreeks 6 oktober 2022 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- gezamenlijk naar de woning van voornoemde persoon/personen te gaan,
- hen een of meer honkbalknuppel(s) te tonen en/of hiermee (met dreigende houding) op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] af te lopen/rennen, en/of
- hierbij een camera te vernielen met deze knuppel(s), en/of
- door die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen “hier komen jij, blijven staan” en/of “staan blijven kankerlijer”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3
hij op of omstreeks 6 oktober 2022 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool (inclusief patroonhouder) van het merk Retay, type/model 92 van het kaliber 9mm knal, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, en/of
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten, 12 patronen van het kaliber UMA 9. P.A.knal, voorhanden heeft gehad.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder feit 1 primair en onder de feiten 2 en 3.
Ten aanzien van feiten 1 en 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat sprake is van medeplegen, omdat alle verdachten samen naar de straat van aangever zijn gegaan, verdachte zowel op de heen- als de terugweg een van de auto’s bestuurde en hij daar in de straat van aangever een getalsmatige versterking was. Daarbij wist verdachte wat de andere verdachten gingen doen. Verdachte was namelijk eerder die dag al bij de groep aanwezig toen werd gesproken over het pedojagen op aangever [slachtoffer 2] .
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal wordt vrijgesproken. Voor feit 1 en 2 heeft de raadsman betoogd dat verdachte niet op de hoogte was van een gezamenlijk plan en dat hij geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan wat er heeft plaatsgevonden.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat medeverdachte [medeverdachte 1] het gaspistool had meegenomen. Het gaspistool was niet van verdachte en hij heeft het gaspistool en de munitie niet vastgehouden. Verdachte had ook geen beschikkingsmacht over het wapen. [medeverdachte 1] had het wapen meegenomen in de auto en onder de bestuurdersstoel gelegd. Verdachte was de bestuurder en als hij al wetenschap had van het wapen onder zijn stoel dan kon hij daar met geen mogelijkheid bij tijdens het rijden.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten 1 en 2
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
In de middag van 5 oktober 2022 waren medeverdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij medeverdachte [medeverdachte 3] thuis. Daar vertelde [medeverdachte 3] dat er problemen waren met een aantal mensen en dat er een pedofiel was waarop zij joegen. Later die dag gingen zij naar de [restaurant] , waar verdachte zich bij de groep voegde. Zij zijn toen naar [medeverdachte 4] gereden en hebben daar shotjes gedronken. Ze zijn daarna met zijn allen naar [plaats 2] en de McDonalds gereden, waarna verdachte de opdracht kreeg om langs een bepaalde straat te rijden, de straat van aangever. Verdachte reed, omdat hij de enige was die niet had gedronken. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zaten bij verdachte in de auto. [medeverdachte 2] reed met [medeverdachte 1] in een andere auto. Ze zijn er in de nacht met twee auto’s heen gereden. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] stapten uit. Verdachte wachtte in de auto. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] liepen met honkbalknuppels de oprit van de woning van aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op, waarna [medeverdachte 3] de beveiligingscamera kapot sloeg met een honkbalknuppel. Toen aangevers naar buiten kwamen zijn [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] met (honkbal)knuppels op hen afgelopen. Verdachte zat op dat moment nog in de auto. Verdachte heeft verklaard dat hij geen (honkbal)knuppels heeft gezien. Toen hij veel lawaai hoorde is hij uitgestapt. Hij hoorde een knal en zag [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] wegrennen. Hij zag iemand op hen schieten en raakte in paniek. Verdachte is weer in de auto gestapt, samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , en is doorgereden naar de garagebox van [medeverdachte 4] .
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat vanaf het moment dat verdachte zich bij de groep voegde is gesproken over de problemen die er kennelijk waren met aangever [slachtoffer 2] en/of dat hij een pedofiel was waarop zij joegen. Ook kan niet worden vastgesteld dat verdachte op het moment dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] naar de woning liepen wist wat zij daar gingen doen of dat zij knuppels bij zich hadden, dan wel dat hij op het moment dat het incident zich afspeelde in de straat/buurt stond. Aan verdachte is gevraagd naar de straat van aangever te rijden, omdat hij de enige was die niet had gedronken en hij is pas uitgestapt, nadat hij veel lawaai hoorde.
Dat verdachte ná het incident als chauffeur fungeerde is onvoldoende voor het aannemen van een significante en wezenlijke bijdrage dan wel een nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de ten laste gelegde openlijke geweldpleging onder feit 1 en het medeplegen van bedreiging onder feit 2.
Feit 3
Op 6 oktober 2022 omstreeks 01.31 uur zat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in een Volkswagen Up. Verdachte was de bestuurder. [2] Onder de bestuurdersstoel werd een vuurwapen aangetroffen. Het vuurwapen betrof een gaspistool van het merk Retay, model 92, van het kaliber 9 mm knal. Het vuurwapen had een bijpassend patroonmagazijn en knalpatronen. Dit gaspistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 in verband met artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie. 12 knalpatronen waren van het kaliber 9 mm knal. De patroonhouder werd veiliggesteld. [3]
Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard dat zij na het incident aan het [straatnaam] met beide auto’s naar zijn garagebox zijn gegaan en dat hij daar een zwart alarmpistool aan [medeverdachte 1]
(de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] )heeft gegeven, omdat [medeverdachte 1] hartstikke bang was en niet wist of die gasten achter hem aan zouden komen. [medeverdachte 4] verklaarde dat hijzelf het magazijn met patronen vulde voordat hij het wapen aan [medeverdachte 1] gaf. [4]
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij, nadat ze bij de woning van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] waren geweest, naar een garagebox gingen. [medeverdachte 4]
(de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 4] )pakte twee gaspistolen uit de garagebox, een zwarte en een grijze. Hij zag dat [medeverdachte 4] patronen in die wapens deed. Daarna stapte medeverdachte [medeverdachte 1] bij [medeverdachte 2]
(de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2] )in de auto en reden zij naar het huis van [medeverdachte 3]
(de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 3] ). Ze kwamen daar samen met de rest aan. [medeverdachte 2] zei dat ze
(de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] )nu zijn auto kenden, omdat hij gezien was. Dus na het parkeren stapten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de kleine witte auto, waar de donkere jongen achter het stuur zat (
de rechtbank begrijpt: verdachte)en [medeverdachte 3] ernaast. Medeverdachte [medeverdachte 1] ging rechts achterin zitten en [medeverdachte 2] links achterin. [5]
Verdachte heeft verklaard dat hij naar de garagebox reed, dat ze daar hebben gezeten en besproken wat er allemaal was gebeurd. In de garagebox lagen twee gaspistolen met patronen. [6] [medeverdachte 1] heeft toen van daaruit een gaspistool meegenomen. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat het gaspistool in de auto lag. Medeverdachte [medeverdachte 1] had het pistool onder de bestuurdersstoel gelegd. [7]
De rechtbank is van oordeel dat naar de uiterlijke verschijningsvorm de groep van verdachte zichzelf heeft bewapend voor het geval [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hen na de openlijke geweldpleging en bedreiging die nacht zouden komen opzoeken. Verdachte en zijn medeverdachten zijn namelijk samen naar de garagebox van [medeverdachte 4] gegaan. Daar hebben zij besproken wat er was gebeurd en heeft [medeverdachte 1] het vuurwapen meegenomen. [medeverdachte 1] wilde dit wapen meenemen, omdat hij bang was dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] mogelijk achter hen aan zouden komen. [medeverdachte 1] is toen met medeverdachte [medeverdachte 2] naar het huis van verdachte gereden. Daar zijn zij, met het vuurwapen, achterin de witte Volkswagen Up gaan zitten, die verdachte bestuurde, omdat de auto van [medeverdachte 2] bekend was bij de mensen van het incident eerder die nacht. Verdachte wist dat [medeverdachte 1] dit vuurwapen mee had. Dat verdachte niet bij het vuurwapen kon tijdens het rijden, nog daargelaten of dit zo is, maakt daarom niet dat hij daar geen beschikkingsmacht over had.
De rechtbank acht het onder feit 3 ten laste gelegde medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en 12 knalpatronen dan ook bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Feit 3
hij op
of omstreeks6 oktober 2022 te [plaats 1] ,
althans in Nederland,tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool (inclusief patroonhouder) van het merk Retay, type/model 92 van het kaliber 9mm knal, zijnde een vuurwapen in de vorm van een
geweer, revolver en/ofpistool, en
/of- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten, 12 patronen van het kaliber
UMA9
mm. P.A.knal, voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 3:
medeplegen van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van de straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de openlijke geweldpleging, het medeplegen van bedreiging en het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd, vanwege de bepleite integrale vrijspraak.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Verdachten en medeverdachten zijn na een gewelddadig incident naar een garagebox van een van de medeverdachten gereden en hebben zich daar bewapend met een vuurwapen, geladen met 12 knalpatronen. Het illegaal voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie is een delict waartegen streng moet worden opgetreden, mede gelet op het gevaar en de dreiging die van dergelijke wapens uitgaat en het steeds verder toenemende bezit en gebruik daarvan in de maatschappij. Door dit soort feiten worden de gevoelens van onveiligheid in de samenleving versterkt.
De reclassering adviseert in haar rapport van 25 juni 2024 het volwassenenstrafrecht toe te passen, omdat er volgens het wegingskader onvoldoende redenen zijn om het jeugdstrafrecht te adviseren. Zo vertoont verdachte geen kinderlijker gedrag dan men gezien zijn kalenderleeftijd kan verwachten en is continuering van schoolgang niet noodzakelijk om recidive te voorkomen, aangezien hij al lange tijd werkzaam is. Verder lijkt hij onvoldoende ontvankelijk/vatbaar voor een pedagogische of opvoedkundige aanpak. Ook adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met enkel een contactverbod met de medeverdachten als bijzondere voorwaarde. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.
De rechtbank heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waaruit volgt dat het uitgangspunt voor het voorhanden hebben van een gaspistool een gevangenisstraf van 1 maand is.
Gelet op het tijdsverloop is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf niet meer aan de orde is. Alles overwegend acht de rechtbank een taakstraf van 60 uren passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding een contactverbod met de medeverdachten op te leggen.
De rechtbank constateert vervolgens dat de redelijke termijn is overschreden. Verdachte is op
6 oktober 2022 aangehouden en als verdachte gehoord. Op dat moment is de redelijke termijn gaan lopen. Het uitgangspunt is dat in een strafzaak binnen twee jaar daarna een eindvonnis is uitgesproken. De uitspraak volgt op 11 september 2025, twee jaar en elf maanden nadat de termijn is gaan lopen. Dat betekent een overschrijding van elf maanden. De rechtbank ziet hierin aanleiding de straf met 10 procent te matigen.
De rechtbank legt daarom aan verdachte op een taakstraf van 54 uren, met aftrek van het voorarrest.

8.De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben gezamenlijk in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partijen vorderen ieder
€ 1.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. De benadeelde partijen hebben verklaringen afgelegd die niet stroken met de bewijsmiddelen en de verdenking is dat zij op de openlijke geweldpleging en bedreiging hebben gereageerd met geweld. Dat zij immateriële schade hebben opgelopen is onvoldoende onderbouwd. Daarbij kan niet worden vastgesteld of sprake is van eigen schuld.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, vanwege de bepleite vrijspraak.
Overweging van de rechtbank
Verdachte is vrijgesproken van feit 2. Daarom zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:
- 9, 22 c, 22d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten;
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op een
taakstrafvan
54 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;
 beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
 verklaart de benadeelde partijen
[slachtoffer 2]en
[slachtoffer 1] niet-ontvankelijkin de vordering tot smartengeld.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.P.T. Blokhuis (voorzitter), mr. R.M. Schoo en mr. A. Bril, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.J. Schoen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 september 2025.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-202310280908, gesloten op 25 november 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 310.
3.Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres 2] [plaats 1] ), p. 474 en 475; het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 652 en 653.
4.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] , p. 164, 167.
5.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 137.
6.Het proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 12 oktober 2022, p. 1 en 2.
7.De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 augustus 2025.