Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2025:8123

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 september 2025
Publicatiedatum
29 september 2025
Zaaknummer
454620
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810a RvArt. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing contra-expertise en machtiging tot uithuisplaatsing kinderen in ondertoezichtstelling

De rechtbank Gelderland heeft op 19 september 2025 uitspraak gedaan in een zaak betreffende een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing bij de vader wegens ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen door onvoldoende basiszorg bij de moeder en het conflict tussen ouders.

De moeder verzette zich tegen de uithuisplaatsing en verzocht subsidiair om een contra-expertise door een arts om aan te tonen dat haar epilepsie onder controle is en haar ziekte haar niet belemmert in het moederschap. De kinderrechter oordeelde dat het verzoek onvoldoende concreet was en dat een onderzoek naar de epilepsie niet zou bijdragen aan een ander oordeel, omdat de uithuisplaatsing niet alleen gebaseerd is op de medische situatie.

De kinderrechter stelde vast dat de kinderen onvoldoende zorg en veiligheid bij de moeder ervaren, met name doordat zij zorgtaken overnemen en het gezag van de moeder niet meer accepteren. De ondertoezichtstelling werd voor een jaar vastgesteld en de machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden, met de mogelijkheid tot passende hulpverlening en een zorgregeling. De beschikking is direct uitvoerbaar en tegen de beslissing staat hoger beroep open.

Uitkomst: Verzoek contra-expertise afgewezen; machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader verleend voor zes maanden binnen een ondertoezichtstelling van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Arnhem
Zaaknummer: C/05/454620 / JE RK 25-762
Datum uitspraak: 19 september 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd in Arnhem,
hierna te noemen de Raad,
over
[kind 1], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [kind 1] ,
[kind 2], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [kind 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. D.M.N. Metry uit Barneveld,
[naam vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
- de gecertificeerde instelling
[naam], hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 juli 2025;
  • het verweerschrift van de moeder met zelfstandig verzoek van 15 september 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 september 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang aan de broer van de moeder geweigerd, omdat bezwaar is gemaakt tegen zijn aanwezigheid.
1.3.
De kinderrechter heeft [kind 2] en [kind 1] naar hun mening gevraagd. Zij hebben geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
Het huwelijk van de ouders is op [datum] door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [kind 1] en [kind 2] .
2.3.
[kind 1] en [kind 2] wonen bij hun moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [kind 1] en [kind 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] bij de vader te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
[kind 1] en [kind 2] worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd, omdat zij bij hun moeder thuis onvoldoende basiszorg en ondersteuning krijgen en zij onderdeel zijn van het conflict tussen de ouders. Een gedwongen kader is nodig omdat de moeder niet openstaat voor hulpverlening en de ouders niet in staat zijn om samen afspraken over de kinderen te maken. Een plaatsing van de kinderen bij de vader is noodzakelijk, omdat de vader de benodigde basiszorg kan bieden en de kinderen zich veilig voelen bij hem.

4.De standpunten

4.1.
De vader is het eens met het verzoek, al heeft een uithuisplaatsing niet zijn voorkeur. Hij ziet liever dat de moeder en de kinderen de juiste hulp krijgen.
4.2.
De moeder voert verweer. Zij verzoekt primair om beide verzoeken af te wijzen. Subsidiair verzet zij zich niet tegen de ondertoezichtstelling, maar wel tegen de uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader, waarbij zij verzoekt om een deskundige te benoemen op grond van artikel 810a Rv lid 2.
De moeder stelt dat de Raad haar traumatische ervaringen vanuit het huiselijk geweld door de vader onvoldoende heeft meegewogen en haar reacties mogelijk ten onrechte koppelt aan haar medische situatie. Zij heeft inmiddels hulp gezocht voor haar emotionele verwerking (traumabehandeling) en staat open voor hulp bij de opvoeding. De kinderen nu uit huis plaatsen is volgens haar disproportioneel.

5.De beoordeling

De ondertoezichtstelling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De ouders verzetten zich hier niet tegen. De kinderen zijn getuige geweest van huiselijk geweld tussen hun ouders en zijn daardoor zelf ook slachtoffer van huiselijk geweld. Dit heeft uiteraard zijn weerslag op de manier waarop de ouders met elkaar in gesprek (kunnen) gaan over zaken rondom de kinderen. De kinderen hebben last van de slechte verstandhouding tussen hun ouders. Het lukt de ouders onvoldoende om dit in een vrijwillig kader te verbeteren. Er is een patroon zichtbaar waarin de moeder zich terugtrekt en hulpverlening afhoudt door niet open te doen, niet te reageren of door afspraken af te zeggen. De kinderrechter is van oordeel dat het op dat moment niet van de moeder kan worden verwacht om de ontwikkelingsbedreiging zelfstandig met de vader weg te nemen, gelet op het relationele geweld dat heeft plaatsgevonden. Een jeugdbeschermer kan een buffer vormen tussen de ouders en voorkomt dat de moeder zelfstandig met de vader in contact moet om passende hulpverlening in te zetten.
5.2.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. Gelet op de ernst van de problemen stelt de kinderrechter [kind 1] en [kind 2] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.3.
Binnen de ondertoezichtstelling dient gewerkt te worden aan de volgende doelen:
- de kinderen wonen op een plek waar ze voldoende zorg krijgen en zich veilig kunnen ontwikkelen;
- de kinderen hebben ouders die beschikbaar voor hen zijn;
- de kinderen worden niet belast met de ruzies tussen hun ouders.
De machtiging tot uithuisplaatsing
5.4.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter beperkt de duur van de machtiging tot zes maanden. De rest van het verzoek wordt afgewezen. De kinderrechter wijst ook het verzoek tot het verrichten van een contra-expertise af. De kinderrechter zal deze beslissing uitleggen.
5.5.
Anders dan de moeder is de kinderrechter van oordeel dat een plaatsing bij de vader noodzakelijk is. De kinderen komen bij de moeder onvoldoende toe aan hun eigen ontwikkeling. Zij maken zich zorgen over hoe zij hun moeder aantreffen en waren - in ieder geval langer dan wenselijk is - grotendeels op zichzelf aangewezen. [kind 1] heeft haar moeder naar boven moeten sturen zodra zij vreemd gedrag begon te vertonen om te voorkomen dat [kind 2] dit zag en daar bang van werd, heeft moeten zorgen dat zij op tijd naar school gingen en maaltijden moeten verzorgen. Daarnaast is zij bang in het verkeer omdat er meerdere verkeersongelukken hebben plaatsgevonden op momenten dat de moeder een aanval kreeg (in de auto). [kind 1] heeft noodgedwongen een tijd lang de rol van verzorger en opvoeder van [kind 2] op zich genomen en accepteert het gezag van haar moeder niet meer. Het lukt haar niet om weer een kind rol aan te nemen.
Geen contra-expertise
5.6.
De moeder verzoekt om een contra-expertise. De kinderrechter wijst dit verzoek af en zal uitleggen waarom.
5.7.
Artikel 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt. Als voorwaarde geldt dat het verzoek voldoende concreet en ter zake dienend is en het belang van het kind zich er niet tegen verzet. Met deze bepaling is beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de Raad in een zaak over een kinderbeschermingsmaatregel die ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, gemotiveerd kunnen weerspreken (Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nrs. 15 en 18; Handelingen II 1993-1994, p. 4135-4161).
5.8.
De kinderrechter is van oordeel dat niet aan de vereisten is voldaan. De moeder heeft haar verzoek tijdens de zitting geconcretiseerd en toegelicht. Zij verzoekt om een contra-expertise door een arts. Zij wil hiermee aantonen dat haar epilepsie onder controle is en haar ziekte haar niet belemmert in haar moederschap, zodat er geen noodzaak is om de kinderen bij de vader te plaatsen. De kinderrechter is van oordeel het verzoek van de moeder onvoldoende concreet is. De moeder heeft niet onderbouwd welke arts of welke soort arts een onderzoek zou moeten uitvoeren en welke vragen binnen dat onderzoek beantwoord moeten worden. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat een onderzoek naar haar epilepsie niet kan bijdragen aan een (ander) oordeel in deze zaak. De reden voor de uithuisplaatsing ligt namelijk niet enkel in het wel of niet stabiel zijn van de epilepsie. De moeder heeft zelf verklaard dat zij ook op psychisch vlak belemmeringen ervaart in het vormgeven van haar ouderrol. Zij heeft verteld dat er veel naar boven komt vanuit wat zij heeft meegemaakt in de relatie met vader, waaronder huiselijk geweld. Dit heeft zijn weerslag op de manier waarop zij zich naar de kinderen opstelt. Voor de kinderrechter staat vast dat de kinderen op dit moment bij de moeder thuis onvoldoende basiszorg krijgen, onvoldoende toekomen aan hun eigen ontwikkeling doordat zij zorgtaken zijn gaan overnemen en met name [kind 1] het gezag van haar moeder niet meer accepteert.
Beperking in duur
5.9.
De kinderrechter beperkt de duur van de machtiging tot zes maanden. Binnen deze periode dient er passende hulp en ondersteuning ingezet te worden om de moeder te verstevigen in haar ouderrol en moet er een passende zorgregeling met de ouders worden afgesproken. Zolang de schoolgang van de kinderen beter geborgd lijkt bij de vader, ligt het voor de hand om het zwaartepunt van de doordeweekse zorg bij de vader neer te leggen. De kinderrechter acht een periode van zes maanden voldoende om duidelijk te krijgen of een terugplaatsing bij de moeder haalbaar is.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.10.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [kind 1] en [kind 2] onder toezicht van [naam] met ingang van 19 september 2025 tot 19 september 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] bij de vader met ingang van 19 september 2025 tot 19 maart 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2025 door mr. E.J. Davids, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Cox-Weber als griffier, en op schrift gesteld op 29 september 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.