Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2025:8214

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
2 oktober 2025
Zaaknummer
ARN 25/165
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:36c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens digitale notificatieproblemen

De rechtbank Gelderland heeft op 1 oktober 2025 uitspraak gedaan over het verzet van belanghebbende tegen de eerdere niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroepschrift door dezelfde rechtbank op 28 maart 2025. De niet-ontvankelijkverklaring was gebaseerd op het niet tijdig indienen van de gronden van het beroep binnen de gestelde termijn, waarbij werd aangenomen dat belanghebbende het digitale bericht had ontvangen.

Belanghebbende stelde dat hij het bericht pas op 28 maart 2025 zag omdat de notificatie in zijn postvak ongewenst was terechtgekomen. De rechtbank overwoog dat het onredelijk zou zijn om alle risico’s van digitaal procederen, waaronder het in het ongewenste postvak belanden van notificaties, voor rekening van belanghebbende te laten komen, zeker omdat digitaal procederen voor veel belastingplichtigen nog nieuw is en zij onvoldoende worden geïnformeerd over dergelijke risico’s.

De rechtbank verklaarde het verzet gegrond, waardoor de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt en het onderzoek wordt hervat. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend omdat geen kosten waren gemaakt die daarvoor in aanmerking komen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de procedure wordt hervat, de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/165 V

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 oktober 2025

op het verzet van
[opposant], uit [plaats], opposant [1] ,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 28 maart 2025 in het geding tussen

opposant

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Overbetuwe.

Inleiding

Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 28 maart 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De rechtbank heeft het verzet op 4 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft opposant deelgenomen. De heffingsambtenaar is, zoals gebruikelijk bij verzetzaken, niet op de zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of in de uitspraak van 28 maart 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 28 maart 2025
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel kennelijk is, oftewel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft geconstateerd dat opposant de gronden van beroep niet heeft ingediend binnen de in het bericht van 13 januari 2025 gestelde termijn, namelijk uiterlijk 10 februari 2025. De rechtbank is ervan uitgegaan dat opposant het bericht heeft ontvangen, omdat hij digitaal procedeert en bij plaatsing van een bericht in het digitale dossier automatisch een notificatiebericht aan partijen wordt verzonden. [3]
Is het te laat indienen van de gronden van het beroep verschoonbaar?
4. Opposant stelt dat hij het door de rechtbank op 13 januari 2025 via het digitale systeem verzonden bericht pas op 28 maart 2025 heeft gezien, omdat dit bericht in zijn postvak ongewenst is terechtgekomen.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep is de meest verstrekkende uitspraak die de rechtbank kan doen, omdat de zaak dan niet meer inhoudelijk wordt behandeld. Opposant heeft zijn beroep digitaal ingediend en dus ervoor gekozen om digitaal te procederen. De vraag is echter of daarmee ook alle risico’s die dat met zich meebrengt – zoals het in het postvak ongewenst terechtkomen van een notificatiebericht – voor rekening van opposant moeten komen.
6. De rechtbank is van oordeel dat het onredelijk is om in dit geval alle risico’s voor rekening en risico van opposant te laten komen. De rechtbank vindt dat namelijk niet passen in de situatie waarin digitaal procederen voor veel belastingplichtigen – zoals opposant – nog nieuw is en zij door (relatief) beperkte formele gebreken worden geconfronteerd met verstrekkende juridische gevolgen. Dit geldt des te meer nu opposant voor zichzelf procedeert en daarmee geen of zeer beperkte ervaring heeft. De rechtbank weegt daarbij mee dat belastingplichtigen bij hun keuze om digitaal te procederen er op dit moment niet op worden gewezen dat notificatieberichten in het postvak ongewenst terecht kunnen komen, zij zichzelf hiervan nog niet bewust zijn én zij de gevolgen daarvan ook niet kunnen overzien.
7. De verzetsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

8. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat de uitspraak werd gedaan.
9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding, omdat geen kosten zijn gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 1 oktober 2025
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Uit artikel 8:36c, tweede lid, van de Awb volgt dat dat het tijdstip waarop de bestuursrechter de geadresseerde een notificatiebericht stuurt waaruit blijkt dat een bericht voor hem toegankelijk is in het digitale systeem, het tijdstip is waarop de geadresseerde dat bericht heeft ontvangen.