ECLI:NL:RBGEL:2025:8377

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 september 2025
Publicatiedatum
8 oktober 2025
Zaaknummer
05-097871-22
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Grootschalige handel en productie van hennep en deelname aan criminele organisatie

In deze zaak heeft de rechtbank Gelderland op 29 september 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich gedurende een periode van ruim een jaar schuldig heeft gemaakt aan grootschalige handel en productie van hennep. De verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met de teelt en distributie van hennep. De tenlastelegging omvatte onder andere het opzettelijk telen, verkopen en vervoeren van een grote hoeveelheid hennepplanten, alsook deelname aan een organisatie die tot doel had het plegen van misdrijven onder de Opiumwet. Tijdens de rechtszitting zijn procesafspraken gemaakt tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging, waarbij de verdachte heeft ingestemd met een afdoeningsvoorstel. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte vrijwillig en met voldoende informatie heeft ingestemd met deze afspraken. De rechtbank heeft de feiten wettig en overtuigend bewezen verklaard en heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van drie jaar. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de ernst van de feiten en de omstandigheden van de verdachte, waaronder eerdere veroordelingen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/097871-22
Datum uitspraak : 29 september 2025
Tegenspraak
verkort vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1983 in [geboorteplaats] (Polen),
wonende aan het [adres] ,
raadsman: mr. A. Aïssal, advocaat in Rotterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 januari 2020 tot en met 8 maart 2021, te Kerkdriel en/of Cuijk en/of Alphen en/of Velddriel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen,
(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een (zeer grote) hoeveelheid van hennepplanten en/of hennepstekken en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,
welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel, te weten een zeer grote hoeveelheid hennepstekken en/of hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of hennepstekken en/of delen daarvan;
2.
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 januari 2020 tot en met 8 maart 2021, te Kerkdriel en/of Cuijk en/of Alphen en/of Velddriel, in elk geval in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband
van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [naam 1] (geboren [geboortedatum 2] 1996) en/of [naam 2] ( [geboortedatum 3] juli 1989), en/of één of meerdere anderen,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in 11, derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet.

2.Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
De rechtbank past de bewijsmiddelen toe zoals die zullen worden opgenomen in de eventueel later op te maken aanvulling van dit vonnis. Deze bewijsmiddelen bevatten de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
één ofmeerdere tijdstippen in
of omstreeksde periode van 7 januari 2020 tot en met 8 maart 2021, te Kerkdriel en
/ofCuijk en
/ofAlphen en
/ofVelddriel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging,
althans alleen,
(telkens
)opzettelijk heeft geteeld
en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkten
/ofverkocht en
/ofafgeleverd en
/ofverstrekt en
/ofvervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een
(zeer grote
)hoeveelheid van hennepplanten en/of hennepstekken en/of delen daarvan, in elk geval
(telkens
)een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, terwijl dit gepleegde feit
(mede
)betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,
welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel, te weten een zeer grote hoeveelheid hennepstekken en
/ofhennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en
/ofhennepstekken en
/ofdelen daarvan;
2.
hij op
één ofmeerdere tijdstippen in
of omstreeksde periode van 7 januari 2020 tot en met 8 maart 2021, te Kerkdriel en
/ofCuijk en
/ofAlphen en
/ofVelddriel, in elk geval in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband
van natuurlijke personen, te weten
(onder andere
)[naam 1] (geboren [geboortedatum 2] 1996) en
/of[naam 2] ( [geboortedatum 3] juli 1989),
en/of één of meerdere anderen,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in 11, derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd.
feit 2:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.Procesafspraken

Het verloop van de procesafspraken
Het Openbaar Ministerie (OM) en de raadsman van verdachte hebben de mogelijkheid onderzocht van het maken van procesafspraken over de afdoening van deze strafzaak. Naar aanleiding hiervan heeft de officier van justitie de rechtbank op 10 september 2025 een zowel door de officier van justitie, als door verdachte en zijn raadsman ondertekende overeenkomst procesafspraken toegezonden. In deze overeenkomst zijn de door het OM, verdachte en zijn raadsman gemaakte procesafspraken, waaronder een gezamenlijke zienswijze over de beoordeling van de ten laste gelegde feiten en een gemeenschappelijk afdoeningsvoorstel, opgenomen. Partijen beogen daarmee de strafzaak op korte termijn tot een einde te laten komen. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de procesafspraken.
De inhoud van de procesafspraken
In de overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
  • de verdediging zal geen (inhoudelijke) verweren voeren en zal ingediende onderzoekswensen intrekken;
  • verdachte hoeft geen (nadere) (bekennende) verklaring af te leggen;
  • verdachte zal de feiten en kwalificaties zoals tussen OM en verdediging vastgesteld in bijlage A niet ontkennen en geen inhoudelijk verweer voeren;
  • verdachte zal gedurende het proces in eerste aanleg geen aanhoudingsverzoeken indienen, tenzij sprake zal zijn van onvoorziene omstandigheden/acute situaties van persoonlijke aard;
  • het OM zal ter terechtzitting rekwireren tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten (conform de inhoud van bijlage A) en tot een strafoplegging van 240 uur taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van drie jaar;
  • verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken;
  • Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen verdachte/verdediging en het OM gemaakte afspraken, stellen zowel het OM als verdachte geen hoger beroep in. Indien de strafoplegging van de rechtbank afwijkt voor wat betreft de strafmodaliteiten of afwijkt met een marge van twee maanden hoger of lager voor de voorwaardelijke gevangenisstraf behouden partijen het recht om hoger beroep in te stellen;
  • verdachte doet afstand van de mogelijkheid tot het doen van een verzoek tot het vorderen van schadevergoeding of vergoeding van kosten, waaronder ook begrepen kosten van rechtsbijstand, jegens de Staat der Nederlanden.
Het kader van de procesafspraken
De rechtbank stelt voorop dat het maken van procesafspraken is toegestaan en dat de totstandkoming daarvan betekenis kan hebben voor de beslissingen die de strafrechter neemt, ondanks dat er thans nog geen wettelijke regeling is die voorziet in procesafspraken. Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252) volgt dat procesafspraken geen afbreuk doen aan de autonome positie van de strafrechter. De strafrechter is niet gebonden aan de procesafspraken. De strafrechter blijft er namelijk verantwoordelijk voor dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de daarvoor geldende regelingen, in het bijzonder de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en de eisen van een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De strafrechter kan uitsluitend acht slaan op gemaakte procesafspraken indien gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen uit artikel 6 EVRM. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat doorgaans in procesafspraken wordt opgenomen dat verdachte afziet van het uitoefenen van bepaalde verdedigingsrechten. De Hoge Raad heeft in het arrest een aantal punten geformuleerd aan de hand waarvan de strafrechter die waarborg kan toetsen. De strafrechter dient te onderzoeken of verdachte in de concrete omstandigheden van het geval vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Om dit te kunnen toetsen is in beginsel vereist dat verdachte ter terechtzitting aanwezig is en gedurende het gehele proces wordt bijgestaan door een advocaat.
De behandeling ter terechtzitting
De rechtbank heeft tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van 15 september 2025 de bewijsmiddelen voorgehouden en de procesafspraken besproken, zoals deze zijn vervat in de ondertekende overeenkomst. De officier van justitie heeft de achterliggende redenen voor het maken van de procesafspraken toegelicht. Daarbij heeft de officier van justitie aangegeven dat de procesafspraken vooral zijn gemaakt vanuit het oogpunt van efficiëntie.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij goed heeft begrepen wat de gemaakte procesafspraken inhouden, wat de gevolgen daarvan zijn en dat hij vrijwillig heeft meegewerkt aan de totstandkoming van het afdoeningsvoorstel. Hij is gedurende het hele proces om tot afspraken te komen steeds voorzien geweest van rechtskundige bijstand. De rechtbank heeft zich ervan vergewist dat verdachte nog steeds achter de gemaakte afspraken staat.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus vrijwillig en op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan hetgeen in het afdoeningsvoorstel is overeengekomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in de overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van bepaalde verdedigingsrechten. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 EVRM. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat verdachte gedurende het proces is bijgestaan door zijn advocaat. Ter terechtzitting heeft de rechtbank benadrukt dat zij geen partij is bij de gemaakte procesafspraken en dat zij daaraan niet gebonden is. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de afspraken, gelet op de artikelen 348 en 350 Sv, stand kunnen houden.
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat zij acht kan slaan op de gemaakte procesafspraken.

8.De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft conform het afdoeningsvoorstel gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van drie jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de eis van de officier van justitie, die in overeenstemming is met de gemaakte procesafspraken, te volgen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim een jaar schuldig gemaakt aan grootschalige handel en productie van hennep en deelgenomen aan een criminele henneporganisatie. De rol van verdachte binnen die criminele organisatie bevond zich tussen die van leider en uitvoerder. Verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van het drugscircuit en de daarmee gepaard gaande vormen van criminaliteit. Het is algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen schadelijk is/kan zijn voor de gezondheid. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich kennelijk geen rekenschap heeft gegeven van (mogelijke) nadelige effecten op de gezondheid van anderen en dat hij enkel heeft gehandeld uit financieel gewin.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op de justitiële documentatie van verdachte van 5 september 2025. Uit die documentatie blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
De op te leggen straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf zal de rechtbank acht slaan op de procesafspraken, de grondslagen daarvan en het daaruit voortvloeiende afdoeningsvoorstel en overeenkomstig beslissen. Het voorstel staat naar het oordeel van de rechtbank in redelijke verhouding tot de ernst van de zaak. Hierbij overweegt de rechtbank uitdrukkelijk dat het voorstel niet alleen een efficiënte en voortvarende behandeling dient, maar ook een effectieve afdoening van de zaak. Omdat de rechtbank in lijn met de overeenkomst van partijen oordeelt, vloeit daaruit immers in beginsel voort dat het belang bij een behandeling van de zaak in hoger beroep ontbreekt. Partijen hebben tijdens de zitting aangegeven dat zij zich zullen neerleggen bij een vonnis als de strafoplegging overeenkomt met de daarover gemaakte afspraken. De op te leggen straf kan daarmee onmiddellijk ten uitvoer worden gelegd. De overeenkomst doet daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde taakstraf van 240 uur en voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van 3 jaar, zoals vastgelegd in de overeenkomst procesafspraken tussen het OM en de verdediging, in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting en dus in de gegeven omstandigheden een passende straf is. Zij zal die straf dan ook aan verdachte opleggen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht;
- 3 en 11 van de Opiumwet.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op
een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot
een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden;
 bepaalt dat deze gevangenisstraf
niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat verdachte zich voor het einde van de
proeftijd van driejaren schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit verkort vonnis is gewezen door mr. M.G.E. ter Hart (voorzitter), mr. A.T.G. van Wandelen en mr. M.S. de Vries, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Damen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 september 2025.
mr. De Vries en de griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.