ECLI:NL:RBGEL:2025:8420

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 september 2025
Publicatiedatum
9 oktober 2025
Zaaknummer
05-401668-24 vs
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplichting en diefstal door middel van babbeltruc gericht op (hoog)bejaarden

In deze zaak heeft de rechtbank Gelderland op 12 september 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich samen met medeverdachten voordeed als medewerkers van de politie en de bank. De verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan oplichting en diefstal door middel van een babbeltruc, waarbij (hoog)bejaarde slachtoffers werden benaderd. De verdachte en zijn medeverdachten gebruikten lijsten met namen en telefoonnummers van potentiële slachtoffers, belden hen en deden zich voor als politieagenten of bankmedewerkers. Ze overtuigden de slachtoffers om hen binnen te laten onder het voorwendsel dat ze waardevolle spullen veilig wilden stellen vanwege een vermeende toename van inbraken in de buurt. In verschillende gevallen hebben de slachtoffers geld, bankpassen en sieraden afgegeven, vaak in goed vertrouwen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachten zich bewust waren van de impact van hun daden op de slachtoffers, die vaak op hoge leeftijd waren. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, en heeft bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder reclasseringstoezicht. Daarnaast is de verdachte veroordeeld tot schadevergoeding aan de benadeelde partij voor materiële schade en smartengeld.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.401668.24
Datum uitspraak : 12 september 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres 1] .
Raadsvrouw: mr. M.S. Kat, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op/in of omstreeks de periode 10 oktober 2024 tot en met 11 november 2024 te Westendorp, gemeente Oude IJsselstreek, Halle, Doetinchem, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 1] (zaak 1),
[slachtoffer 2] (zaak 2) en/of
[slachtoffer 3] (zaak 4),
te bewegen tot de afgifte van enig goed en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te weten: het afgeven van pinpas met bijbehorende pincode en kostbare spullen waaronder meerdere sieraden en/of contante geldbedragen,
door:
- het telefoonnummer en de adresgegevens van voornoemde personen voorhanden te hebben,
- ( vervolgens) voornoemde personen te (laten) bellen en zich tijdens het telefoongesprek voor te (laten) doen als iemand van de politie of de bank,
- de voornoemde personen te (laten) waarschuwen voor verdachte situaties en/of mede te delen dat er verdachten in de directe omgeving van de voornoemde personen aangehouden waren voor inbraken,
- te vragen naar bankgegevens en/of kostbare spullen in het huis van vernoemde personen,
- mede te delen dat er een (politie)collega bij voornoemde personen zou langs komen om foto’s van deze spullen te maken en/of de spullen veilig te stellen en/of
- bij de woning van deze personen langs te gaan, zich voor te doen als iemand van de politie en om afgifte van geld en goederen te vragen,
waardoor voornoemde personen en/of ander(en) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);
2.
hij op/in of omstreeks de periode 10 oktober 2024 tot en met 11 november 2024 te Westendorp, gemeente Oude IJsselstreek, Halle, Doetinchem, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) goederen, te weten pinpassen met bijbehorende pincodes en/of kostbare spullen waaronder meerdere sieraden en/of contante
geldbedragen, dat/die geheel of ten dele aan
[slachtoffer 1] (zaak 1),
[slachtoffer 2] (zaak 2) en/of
[slachtoffer 3] (zaak 4),
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk tot te eigenen, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of de weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam, van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen of door een samenweefsel van verdichtsels door (telkens):
- het telefoonnummer en de adresgegevens van voornoemde personen voorhanden te hebben,
- ( vervolgens) voornoemde personen te (laten) bellen en zich tijdens het telefoongesprek voor te (laten) doen als iemand van de politie of de bank,
- de voornoemde personen te (laten) waarschuwen voor verdachte situaties en/of mede te delen dat er verdachten in de directe omgeving van de voornoemde personen aangehouden waren voor inbraken,
- te vragen naar bankgegevens en/of kostbare spullen in het huis van vernoemde personen,
- mede te delen dat er een (politie)collega bij voornoemde personen zou langs komen om foto’s van deze spullen te maken en/of de spullen veilig te stellen en/of
- bij de woning van deze personen langs te gaan, zich voor te doen als iemand van de politie en (vervolgens) het geld en/of de goederen weg te nemen;
3.
hij op/in of omstreeks de periode 14 oktober 2024 tot en met 16 oktober 2024 te Terborg en/of Weert, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 4] (zaak 3) en/of
[slachtoffer 5] (zaak 7)
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te weten: het afgeven van pinpas met bijbehorende pincode en/of kostbare spullen door:
- voornoemde personen te (laten) bellen en zich tijdens het telefoongesprek voor te (laten) doen als iemand van de politie of de bank,
- de voornoemde personen te (laten) waarschuwen voor verdachte situaties en/of mede te delen dat er verdachten in de directe omgeving van de voornoemde personen aangehouden waren voor inbraken,
- te vragen naar bankgegevens en/of kostbare spullen in het huis van vernoemde personen,
- mede te delen dat er een (politie)collega bij voornoemde personen zou langs komen om deze spullen veilig te stellen en/of
- bij de woning van deze personen langs te gaan, zich voor te doen als iemand van de politie of Algemene Bank Nederland en om afgifte van geld en goederen te vragen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1, 2 en 3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte de feiten heeft bekend. Zaak 4 ( [slachtoffer 3] ) kwalificeert zij als diefstal, de overige zaken als oplichting dan wel poging daartoe. Ten aanzien van [slachtoffer 2] (zaak 2) heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat verdachte heeft verklaard dat hij alles mocht meenemen wat zij op tafel had gelegd en dat [slachtoffer 2] zelf haar pinpas op tafel heeft gelegd. De raadsvrouw meent dat de ten laste gelegde periode beperkt moet worden tot de periode van 10 tot en met 15 oktober 2024.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 312-313;
- de processen-verbaal van bevindingen, p. 373-374, 444, 446;
- de processen-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] , p. 227, 233
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 augustus 2025, voor zover inhoudend dat verdachte en medeverdachte via de Snapchatgroep ‘ [naam 1] ’ opdracht kregen naar het adres van aangeefster te gaan. Verdachte is bij aangeefster binnen geweest. Hij heeft gevraagd of hij spullen mee kon nemen voor de veiligheid. Aangeefster heeft alle spullen op tafel gelegd, waarna hij foto’s voor de verzekering heeft gemaakt. Hij heeft geen goederen meegenomen zonder dat te vragen. Alle sieraden gingen altijd naar de jongens in [plaats] .
Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich voorgedaan als bankmedewerkers en/of politieagenten. Telefonisch hebben zij aangevers ervan overtuigd dat zij iemand binnen moesten laten die hen zou helpen bankpassen en/of goederen veilig te stellen. De rechtbank kwalificeert dit handelen als oplichting, gepleegd door het aannemen van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels. Deze werkwijze vergt een goed geplande en doordachte samenwerking waarbij alle rollen afhankelijk zijn van elkaar en alle strafbare feiten elkaar in hoog tempo opvolgen en soms zelfs overlappen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachten en is aldus sprake van medeplegen.
Feit 2
Zaak 2 Aangeefster [slachtoffer 2]
Aangeefster [slachtoffer 2] , wonend aan [adres 2] , heeft verklaard dat zij op 15 oktober 2024 omstreeks 19.30 uur werd gebeld door een persoon die zich voordeed als iemand van de politie. Die persoon gaf aan dat er zo een collega aan de deur zou komen om te kijken of er waardevolle spullen in huis waren, omdat er de afgelopen tijd veel inbraken hadden plaatsgevonden in de omgeving. Diezelfde avond, omstreeks 19:45 uur, ging de bel. Toen aangeefster de deur opendeed stond er een man die zich voordeed als iemand van de politie. De man die aan de deur stond had constant een telefoon in zijn handen waarmee hij telefonisch in contact stond met een tweede persoon die zich in eerste instantie ook voor deed als iemand van de politie. De man zei dat hij haar wilde waarschuwen omdat er de laatste tijd veel ingebroken werd. De man vroeg of ze gouden sieraden in huis had. Ook zei de man dat hij een brandkast wilde plaatsen om daar alle waardevolle spullen in op te bergen. Aangeefster heeft de man toen binnen gelaten. De man heeft foto’s gemaakt waar de brandkast eventueel zou kunnen komen te staan. Hij is zelfstandig door haar woning gelopen, zowel boven als beneden. Aangeefster was meegelopen naar boven en heeft op haar slaapkamer haar portemonnee uit haar tas gehaald en laten zien dat ze niets had. Hierna zijn ze samen weer naar beneden gelopen. De persoon die de man aan de telefoon had begon op een gegeven moment te vragen naar haar pinpas. Hij vroeg meerdere malen haar pincode. Aangeefster zei dat ze haar pincode niet wilde geven. Ze kreeg argwaan en hoorde dat de man zei dat hij even de brandkast ging ophalen. Hij kwam daarna niet terug.
Aangeefster heeft verder verklaard dat, toen zij telefonisch in gesprek was met de persoon die zich op dit moment voordeed als iemand van de bank, de rechtbank begrijpt: iemand van de politie, de man bij haar boven in de woning was.
Toen aangeefster met de politie in gesprek was en die naar haar pinpas vroeg, ontdekte ze dat haar pinpas niet meer in haar portemonnee zat. Ze mist ook een zwart doosje met hierin zilveren oorbellen met gouden hanger en een zilveren ketting met steentje. Uit een andere sieradenkist is een zilveren ketting met een gulden eraan weggenomen. Ook de ketting die ze om had en voor de foto op tafel had gelegd, is weggenomen. [2]
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [nummer 1] , in gebruik bij aangeefster, komt naar voren dat zij op 15 oktober 2024 gedurende 3462 seconden in gesprek is geweest met telefoonnummer [nummer 2] . [3] Dit telefoonnummer maakte gebruik van de zendmast [adres 5] -naast, [adres 3] . [4]
Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte binnen in de woning is geweest en dat hij buiten heeft gewacht. Hij wachtte in de auto. Het bericht “ja 2 oorbellen silver ik stuur zo picca” heeft hij waarschijnlijk in de Snapchatgroep gestuurd waar de jongens uit [plaats] in zaten. Hij moest ter controle een foto sturen, zodat zij wisten dat het klopte. [5]
Verdachte heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte] , de rechtbank begrijpt [medeverdachte] , naar Halle is gegaan. Het adres wist hij van de jongens uit [plaats] . Hij is bij de vrouw naar binnen gegaan terwijl [medeverdachte] in de auto bleef. [6] Toen hij binnen was, werd hij gebeld. Hij had de Snatchatgroep aan de lijn. Verdachte had de taak te filmen wat hij binnen deed. Hij kreeg dan te horen wat hij mee moest nemen. Verdachte zou foto’s maken. De vrouw had een jongen aan de telefoon die vroeg of ze haar ketting op tafel kon leggen. [7]
De rechtbank overweegt dat niet wordt betwist dat verdachte bij aangeefster naar binnen is gegaan en dat hij zich daarbij heeft bediend van een zogenoemde babbeltruc. Hij gaf aan dat er veel inbraken waren, vroeg of aangeefster gouden sieraden had en zei dat hij een brandkast wilde plaatsen om de waardevolle spullen in op te bergen.
Verdachte betwist wel dat hij de bankpas en sieraden van aangeefster heeft gestolen. Volgens hem heeft hij die met haar toestemming meegenomen.
De rechtbank overweegt dat aangeefster heeft verklaard dat zij met verdachte boven is geweest en dat zij verdachte haar portemonnee heeft laten zien. Terwijl zij aan de telefoon was, is verdachte ook zelfstandig boven geweest. Toen om haar pincode werd gevraagd, kreeg aangeefster argwaan. De man die bij haar in de woning was, is weggegaan, waarna aangeefster contact heeft gehad met de politie. Toen de politie naar haar pinpas vroeg, bleek die uit haar portemonnee te zijn verdwenen en bleken er ook sieraden weg te zijn. De rechtbank heeft geen enkele reden te twijfelen aan de verklaring van aangeefster. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de aangifte dezelfde avond is opgenomen. De rechtbank acht gelet op de verklaring van aangeefster, bezien in samenhang met de overige aangehaalde bewijsmiddelen, medeplegen van diefstal bewezen, ook ten aanzien van de ketting die aangeefster op tafel had gelegd. Niet blijkt dat aangeefster toestemming heeft gegeven dat verdachte de ketting kon meenemen. Integendeel, zij heeft verklaard de ketting op tafel te hebben gelegd om er foto’s van te laten maken.
Zaak 4 Aangeefster [slachtoffer 3]
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
  • het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 609-610;
  • de processen-verbaal van bevindingen, p. 625-626, 629;
  • de processen-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] , p. 228, 235;
  • de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 augustus 2025.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank medeplegen van diefstal met behulp van een babbeltruc bewezen.
Ten aanzien van de valse hoedanigheid, het samenweefsel van verdichtsels en het medeplegen wordt verwezen naar hetgeen onder feit 1 is overwogen.
Feit 3
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
  • het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , p. 585-586;
  • het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] , p. 813;
  • de processen-verbaal van bevindingen, p. 355, 358, 598, 816-817;
  • de processen-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] , p. 228, 234;
  • de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 augustus 2025.
Ten aanzien van de valse hoedanigheid, het samenweefsel van verdichtsels en het medeplegen wordt verwezen naar hetgeen onder feit1 is overwogen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
/in of omstreeks de periode13 oktober 2024
tot en met 11 november 2024te Westendorp, gemeente Oude IJsselstreek,
Halle, Doetinchem, althans in Nederlandtezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen, meermalen, althans eenmaalmet het oogmerk om zich en
/ofeen ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van
een valse naam en/ofeen valse hoedanigheid en
/of door listige kunstgrepen en/ofdoor een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 1]
(zaak 1),
[slachtoffer 2] (zaak 2) en/of
[slachtoffer 3] (zaak 4),
te bewegen tot de afgifte van enig goed en
/ofhet ter beschikking stellen van gegevens, te weten: het afgeven van pinpas met bijbehorende pincode en kostbare spullen waaronder meerdere sieraden en
/ofeen contant
egeldbedrag
en,
door:
- het telefoonnummer en de adresgegevens van voornoemde persoon
envoorhanden te hebben,
-
(vervolgens
)voornoemde persoon
ente
(laten)bellen en zich tijdens het telefoongesprek voor te
(laten)doen als iemand van de politie
of de bank,
- de voornoemde persoon
ente
(laten)waarschuwen voor verdachte situaties
en/of mede te delen dat er verdachten in de directe omgeving van de voornoemde personen aangehouden waren voor inbraken,
- te vragen naar bankgegevens en
/ofkostbare spullen in het huis van vernoemde persoon
en,
- mede te delen dat er een
(politie
)collega bij voornoemde persoon
enzou langs komen om foto’s van deze spullen te maken en
/ofde spullen veilig te stellen en
/of
- bij de woning van deze persoon
enlangs te gaan, zich voor te doen als iemand van de politie en om afgifte van geld en goederen te vragen,
waardoor voornoemde persoon
en en/of ander(en)werd
(en)bewogen tot bovenomschreven afgifte
(n);
2.
hij
op/in
of omstreeksde periode 10 oktober 2024 tot en met 15 oktober 2024 te
Westendorp, gemeente Oude IJsselstreek,Halle en Doetinchem,
althans in Nederlandtezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen, (telkens
)goederen, te weten pinpassen
met bijbehorende pincodesen
/ofkostbare spullen waaronder meerdere sieraden
en/of contante
geldbedragen,
dat/die
geheel of ten deleaan
[slachtoffer 1] (zaak 1),
[slachtoffer 2]
(zaak 2)en/of
[slachtoffer 3]
(zaak 4),
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk tot te eigenen, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft
en/of de weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik hebben gebrachtdoor middel van het aannemen
van een valse naam,van een valse hoedanigheid en
/of door listige kunstgrepen ofdoor een samenweefsel van verdichtsels door
(telkens
):
- het telefoonnummer en de adresgegevens van voornoemde personen voorhanden te hebben,
-
(vervolgens
)voornoemde personen te
(laten)bellen en zich tijdens het telefoongesprek voor te
(laten)doen als iemand van de politie of de bank,
- de voornoemde personen te
(laten)waarschuwen voor verdachte situaties
en/of mede te delen dat er verdachten in de directe omgeving van de voornoemde personen aangehouden waren voor inbraken,
- te vragen naar
bankgegevens en/ofkostbare spullen in het huis van vernoemde personen,
- mede te delen dat er een
(politie
)collega bij voornoemde personen zou langs komen om foto’s van deze spullen te maken en/of de spullen veilig te stellen en
/of
- bij de woning van deze personen langs te gaan, zich voor te doen als iemand van de politie en
(vervolgens
) het geld en/ofde goederen weg te nemen;
3.
hij
op/in
of omstreeksde periode 14 oktober 2024 tot en met 16 oktober 2024 te Terborg en
/ofWeert,
althans in Nederlandtezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,meermalen,
althans eenmaalter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader
(s
)voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en
/ofeen ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van
een valse naam en/ofeen valse hoedanigheid en
/of door listige kunstgrepen en/ofdoor een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 4]
(zaak 3)en
/of
[slachtoffer 5]
(zaak 7)
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te weten: het afgeven van pinpas met bijbehorende pincode en/of kostbare spullen door:
- voornoemde personen te
(laten)bellen en zich tijdens het telefoongesprek voor te
(laten)doen als iemand van de politie of de bank,
- de voornoemde personen te
(laten)waarschuwen voor verdachte situaties en/of mede te delen dat er verdachten in de directe omgeving van de voornoemde personen aangehouden waren voor inbraken,
- te vragen naar bankgegevens en/of kostbare spullen in het huis van vernoemde personen,
- mede te delen dat er een (politie)collega bij voornoemde personen zou langs komen om
dezespullen veilig te stellen en
/of
- bij de woning van deze personen langs te gaan, zich voor te doen als iemand van de politie of Algemene Bank Nederland
en om afgifte van geld en goederen te vragen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
Medeplegen van oplichting;
feit 2:
Diefstal door twee of meer personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, meermalen gepleegd;
feit 3:
Medeplegen van poging tot oplichting, meermalen gepleegd.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 291 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en met opleggen van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf van 200 uur gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft toepassing van het adolescentenstrafrecht bepleit. Zij heeft daarbij gewezen op de rol die verdachte bij het plegen van de feiten heeft gehad. Verdachte heeft daarbij gehandeld onder invloed van een ander. In dat verband heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat sprake was van dwang, maar dat hiervoor geen tastbaar bewijs kan worden geleverd. Uit de feiten en omstandigheden kan echter wel een vorm van dwang worden aangenomen.
Volgens de raadsvrouw is verdachte nog pedagogisch leerbaar gelet op de door de reclassering beoogde doelen. De raadsvrouw verzoekt een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de dagen die verdachte in voorarrest heeft gezeten en met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast kan een taakstraf worden opgelegd. Het opleggen van een detentie langer dan verdachte heeft vastgezeten zal de positieve ontwikkeling van verdachte doorkruisen. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan de op te leggen bijzondere voorwaarden, maar meent dat elektronische monitoring geen doel meer dient en verdachte zal belemmeren in zijn ontwikkeling met betrekking tot school en werk.
De beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft zich in de periode van 10 tot 17 oktober 2024 schuldig gemaakt aan oplichting, diefstal en poging tot oplichting. Hij maakte samen met drie mededaders deel uit van een Snapchatgroep met de naam ‘ [naam 1] ’. Twee van de mededaders waren afkomstig uit [plaats] . Zij beschikten over lijsten met namen en telefoonnummers. Diverse (hoog)bejaarde personen die op die lijsten voorkwamen werden gebeld met een babbeltruc. Er werd steeds gedaan alsof de beller van de politie of van de bank was. Tegen de personen die werden gebeld werd gezegd dat er veel inbraken in de buurt waren gepleegd dan wel dat de naam van die persoon op een lijst bij criminelen thuis was aangetroffen. Gevraagd werd of er geld en/of sieraden in de woning waren. Er zou dan een collega langskomen om foto’s te maken en een kluis te plaatsen. Dit leidde ertoe dat een slachtoffer in goed vertrouwen haar geld, pinpas en sieraden aan verdachte afgaf. In twee gevallen kregen de slachtoffers tijdens het gesprek argwaan maar konden zij niet voorkomen dat de verdachte er met de spullen vandoor ging. Daarnaast lukte het verdachte in twee gevallen niet de woning te betreden.
De buit werd steeds naar de mededaders in [plaats] gebracht. Na een controle of het om waardevolle goederen ging, kregen verdachte en de medeverdachte betaald voor hun diensten.
De rol van verdachte
Uit het dossier komt naar voren dat de personen in [plaats] samen met verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in een Snapchat-groep met de naam [naam 3] zaten. De personen in [plaats] beschikten over lijsten met namen en gegevens van potentiële slachtoffers en gaven namen en adressen door aan verdachte en [medeverdachte] . Verdachte werd door [medeverdachte] naar die adressen gebracht. Verdachte was de zogenoemde ‘haler’. Hij ging bij de geselecteerde bewoners met een babbeltruc naar binnen om geld, bankpassen en sieraden op te halen. Ondertussen hadden de bewoners de personen uit [plaats] aan de telefoon en werden zij met een babbeltruc aan het lijntje gehouden. Nadat verdachte de woning had verlaten, reden hij en [medeverdachte] naar [plaats] om de buit weg te brengen.
Dwang?
Verdachte heeft verklaard dat hij door [medeverdachte] werd aangestuurd en dat [medeverdachte] hem dwong mee te blijven doen, toen hij er na het bij slachtoffer [slachtoffer 3] gepleegde feit mee wilde stoppen.
De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte door [medeverdachte] werd gedwongen tot het plegen van de strafbare feiten. De verklaring is niet onderbouwd en vindt geen enkele steun in het dossier. Integendeel. Zo zit in het dossier een Snapchatgesprek, gevoerd tussen de accounts van verdachte en [medeverdachte] op 19 en 20 oktober 2024, waarin [medeverdachte] er bij verdachte op aandringt dat hij fit moet zijn voor als er een ‘ [naam 1] ’ komt. Verdachte zegt dat hij niet kan en niet eerder dan de volgende dag beschikbaar is. Uit het gesprek is op te maken dan [medeverdachte] blijft aandringen, maar verdachte niet toegeeft. [medeverdachte] wil ook het Marktplaats account van verdachte hebben, maar verdachte houdt het af en zegt dat [medeverdachte] zijn eigen Marktplaats maar moet gebruiken (p. 546-547). De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte heel goed was opgewassen tegen [medeverdachte] . Dit vindt ook bevestiging in het feit dat verdachte in zaak 5 kennelijk een andere ‘haler’ voor [medeverdachte] regelde, omdat hij zelf niet kon (p. 235).
Het dossier wekt naar het oordeel van de rechtbank de indruk dat verdachte zelf graag op een snelle manier geld wilde verdienen. Zo is er een filmpje, opgenomen op 10 oktober 2024, waarop te zien is dat verdachte en [medeverdachte] allebei een stapel 50 euro biljetten vasthouden. Te horen is dat verdachte zegt: “Pap. Ah mattie. Pap maken” (p. 378). Ook is in de telefoon van verdachte een WhatsAppgesprek van 13 oktober 2024 aangetroffen met ‘ [bijnaam 1] ’, waarin verdachte zegt dat hij met ‘ [bijnaam 1] ’, de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] , een hotel in [plaats] gaat pakken. Als [bijnaam 1] ’ vraagt wat hij daar moet, zegt verdachte: “Pap maken en lekker eten slapen leuke avond hebben” en “Ik verdien kkr 1000 euro op een dag” (p. 362). Verder is in de telefoon van verdachte een kort Snapchatgesprek van 17 oktober 2024 op 18 oktober 2024 aangetroffen waarin verdachte aan ‘ [bijnaam 2] ’ vraagt of ze gaan werken.
Dit alles, in combinatie met verdachtes verklaring dat hij werd opgepakt toen hij wilde stoppen, (verklaring van verdachte ter terechtzitting), maakt dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte meedeed uit financieel gewin en niet omdat hij daartoe werd gedwongen.
Duidelijk is dat verdachte en de mededaders slechts uit waren op financieel gewin. Ze wilden snel geld maken. De rechtbank vindt het hoogst verwerpelijk dat zij hiervoor bewust slachtoffers op hoge leeftijd kozen. Zij maakten misbruik van het vertrouwen dat de slachtoffers in hen en in medewerkers van politie en banken hadden. Ook sieraden die de slachtoffers droegen werden meegenomen, waarbij de verdachte een van de slachtoffers zelfs heeft geholpen de trouwring van haar vinger te verwijderen; niet alleen schandalig, maar ook heel erg brutaal. Verdachtes verklaring dat hij dat niet heeft gedaan acht de rechtbank niet geloofwaardig, nu hij hierover wisselend heeft verklaard en de rechtbank geen reden heeft te twijfelen aan de aangifte. Verdachte en de mededaders hebben er geen moment over nagedacht wat voor impact hun handelen op de slachtoffers zou kunnen hebben.
Justitiële documentatie
De rechtbank heeft in aanmerking genomen de justitiële documentatie van verdachte. Daaruit komt naar voren dat verdachte eerder is veroordeeld en dat aan hem een tweetal keren een strafbeschikking is opgelegd. Die veroordeling en strafbeschikkingen hebben hem er kennelijk niet van kunnen weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank stelt vast dat laatstelijk op 29 januari 2025 een strafbeschikking is opgelegd. Gelet daarop is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
Reclasseringsadvies
De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen het reclasseringsadvies van 14 augustus 2025. Daaruit komt naar voren dat verdachte mede door zijn culturele achtergrond, mogelijke gebeurtenissen in zijn jeugd en beperkte integratie van zijn ouders, enige problemen heeft opgelopen in zijn sociale en emotionele ontwikkeling. Verdachte brengt nu een aantal dingen, zoals financiën, werk en scholing, op orde. Een detentie zal zorgen voor onderbreking van deze positieve ontwikkeling. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaar.
Adolescentenrecht
De raadsvrouw heeft verzocht om toepassing van het adolescentenstrafrecht.
Uit het reclasseringsrapport van 12 maart 2025 blijkt dat verdachte op 27 februari 2025 is besproken in het Adolescentenstrafrecht-overleg (ASR-overleg). Op basis van zijn toenmalige proceshouding (zwijgrecht) is zijn dossier besproken en een voorlopig advies uitgekomen richting het volwassenstrafrecht. Het NIFP heeft in het indicatie-overleg van 3 maart 2025 aangegeven dat een pedagogische benadering om eventuele ontwikkelingsachterstanden in te halen voor verdachte niet voor de hand lag. De reclassering heeft zich in het rapport van 12 maart 2025 op het standpunt gesteld dat zij in de veranderde proceshouding van verdachte geen reden zag om af te wijken van de uitkomst van het eerste ASR-overleg. De reclassering is in latere rapporten niet hierop teruggekomen.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten meerderjarig en uit het dossier komt het beeld naar voren van een verdachte die heel goed wist waar hij mee bezig was. Er was geen sprake van impulsiviteit bij het plegen van de delicten. Het doel was snel geld verdienen. Verder blijkt uit het reclasseringsrapport van 14 augustus 2025 dat verdachtes ouders, mede vanwege de matige beheersing van de Nederlandse taal, onvoldoende grip op verdachte hebben om hem te kunnen corrigeren.
Strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De rechtbank overweegt dat de door de officier van justitie gevorderde en de door de raadsvrouw bepleite – na aftrek van het voorarrest – verder geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten. Voor de feiten waarbij gebruik is gemaakt van een babbeltruc kent het LOVS geen oriëntatiepunt. Wel is er een oriëntatiepunt voor een woninginbraak, te weten een gevangenisstraf van 3 maanden. De rechtbank is van oordeel dat oplichting dan wel diefstal via een babbeltruc, waarbij de slachtoffers (anders dan bij een woninginbraak) via de telefoon en/of in hun woning geconfronteerd worden met de daders, een zwaarder verwijt betreft. Anders dan bij een inbraak, waarbij geselecteerd wordt op een woning, is hier aan de hand van lijsten met namen en persoonsgegevens geselecteerd op personen met een hoge leeftijd. De slachtoffers moesten vooral oud zijn. Met de babbeltruc werd hun vertrouwen gewonnen. Het slachtoffer gaf in goed vertrouwen geld, goederen en de pinpas met de pincode mee. In andere gevallen werd buiten het zicht van de ouderen bankpas en goederen gestolen dan wel werden de sieraden van tafel gegrist. De rechtbank acht vanwege de grote impact die het handelen van verdachte en de mededaders had, per oplichting/diefstal een gevangenisstraf van 5 maanden passend.
De rechtbank ziet geen aanleiding een onderscheid te maken tussen [medeverdachte] en verdachte en acht beiden in dezelfde mate verantwoordelijk voor hun handelen. Beiden hebben zich schuldig gemaakt aan de bewezenverklaarde feiten waarbij ieder een eigen rol vervulde. De rechtbank heeft hierbij de indruk dat verdachte niet het achterste van zijn tong heeft laten zien en dat hij probeert zijn straatje schoon te vegen door een groter deel van de verantwoordelijkheid in de schoenen van [medeverdachte] te schuiven. De rechtbank komt daarom tot een andere strafmaat dan de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank zal, evenals in de zaak van [medeverdachte] uitgaan van 5 maanden gevangenisstraf per oplichting/diefstal. Voor verdachte betekent dat concreet dat sprake is van één keer oplichting en twee keer diefstal, dus in totaal 15 maanden gevangenisstraf. Voor de twee pogingen zal de rechtbank in totaal 6 maanden tellen. Bij elkaar opgeteld komt de rechtbank dan uit op een gevangenisstraf van 21 maanden.
De rechtbank zal daarvan een derde deel (7 maanden) in voorwaardelijke vorm opleggen als stok achter de deur en om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt, met een proeftijd van drie jaren. Aan de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering. Dat daarmee de ingezette weg wordt doorkruist en dat dit niet wenselijk is, zoals door de reclassering is aangevoerd, laat onverlet dat een lagere straf geen recht zou doen aan de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van een locatieverbod en voor het opleggen van een contactverbod met de medeverdachte.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 5.000,- aan materiële schade en € 550,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente. Hij vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor materiële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000,- De vordering voor materiële schade dient voor het overige te worden afgewezen omdat deze onvoldoende is onderbouwd. De vordering voor immateriële schade acht de raadsvrouw toewijsbaar.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Niet duidelijk is in hoeverre de sieraden van echt goud dan wel zilver waren en wat de waarde van de sieraden is geweest. De rechtbank overweegt dat wel kan worden aangenomen dat de schade tenminste € 1.000,- zal hebben bedragen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot dit bedrag kan worden toegewezen.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot materiële schade.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde door het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld vaststellen op het gevorderde bedrag van € 550,-. Verdachte heeft ter terechtzitting kenbaar gemaakt die schade te willen vergoeden.
Verdachte is vanaf 10 oktober 2024 wettelijke rente over het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag van € 1.550,- verschuldigd.
De rechtbank overweegt dat verdachte en de medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover de medeverdachte de schade heeft vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
21 maanden;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
  • verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het [adres 4] ;
  • verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie COVA of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden.
  • verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
  • verdachte gedurende de proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Tot verdachte wordt opgenomen in een beschermd-wonen setting wordt dit gebod gehandhaafd. Met dit gebod reguleert de reclassering alleen de tijden dat verdachte ’s avonds/’s nachts binnen dient te zijn en hoe vaak/hoe lang hij uit kan gaan in de weekenden. Verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod;
  • verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet) gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan urineonderzoek;
  • verdachte gedurende de proeftijd zijn alcoholgebruik beperkt en open is over het gebruik tegen zijn reclasseringswerker. Indien de reclassering signalen krijgt dat hij zich misdraagt na alcoholgebruik (inschatting reclassering), dan kan hem het gebruik geheel verboden worden;
  • verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met de slachtoffers zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Dit betreft de volgende slachtoffers:
* [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1931;
* [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1938;
* [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedatum 4] 1943;
* [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 5] 1947;
* [slachtoffer 5] , geboren op [geboortedatum 6] 1940;
- verdachte gebruik maakt van een bewindvoerder/budgetbeheer. Daarvoor kiest hij voor een vrijwillige vorm, zodat die beëindigd kan worden als de reclassering dit niet meer nodig vindt;
 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van voornoemde bijzondere voorwaarden (met uitzondering van het contact- en locatieverbod) en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 veroordeelt verdachte in verband met feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van € 1.000,- aan materiële schade en € 550,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor wat betreft de overige gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk in haar vordering;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 3] , een bedrag te betalen van € 1.000,- aan materiële schade en € 550,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 25 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag van de benadeelde partij betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.A.M. Janssen (voorzitter), mr. A.P. Sno en
mr. M.J.M. Krabbe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 september 2025.
Mr. Krabbe is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam 2] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, nummer 202503041500 (onderzoek HYBOS / ON32024014), gesloten op 20 mei 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 560-561.
3.Proces-verbaal van bevindingen, p. 572-573.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 575.
5.Processen-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] , p. 227, 234.
6.Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 142-143.
7.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 augustus 2025.