ECLI:NL:RBGEL:2025:8476

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 september 2025
Publicatiedatum
10 oktober 2025
Zaaknummer
060498-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeersongeval met dodelijke afloop door roekeloos rijgedrag met mobiele telefoon

Op 25 september 2025 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 34-jarige vrouw die verantwoordelijk werd gehouden voor een verkeersongeval met dodelijke afloop. Het ongeval vond plaats op 3 december 2024 in Vaassen, waar de verdachte, terwijl zij met een snelheid van 116 km/u reed, haar mobiele telefoon bediende. Dit leidde tot een kettingbotsing waarbij een andere bestuurder, genaamd [slachtoffer 1], om het leven kwam en een passagier, [slachtoffer 2], ernstig letsel opliep. De rechtbank oordeelde dat de verdachte roekeloos had gehandeld door de verkeersregels te overtreden, met name het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden. De rechtbank legde een taakstraf van 240 uur op en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 2 jaar, met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de wens van de nabestaanden om de zaak af te ronden zonder verdere vervolging. De rechtbank benadrukte de ernst van het feit en de gevolgen voor de slachtoffers, maar erkende ook de schuldbewustheid van de verdachte en haar pogingen om contact te leggen met de nabestaanden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/060498-25
Datum uitspraak : 25 september 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. A. van der Poel, advocaat in Apeldoorn.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 3 december 2024 te Vaassen in de gemeente Epe, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de richting van Epe, gaande in de richting van Apeldoorn, daarmede rijdende over de weg de Rijksweg A50
roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl op die weg (de Rijksweg A50 ter hoogte van hectometerpaal 217.0) meerdere motorrijtuigen (personenauto’s) stilstonden dan wel langzaam reden nu in opdracht van de politie, het verkeer op de Rijksweg door Rijkswaterstraat tot stilstand was gebracht en/of
terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie,
- in strijd met artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een mobiel elektronisch apparaat (een mobiele telefoon) heeft vastgehouden en/of de mobiele telefoon meerdere keren heeft gebruikt en/of bediend en/of
- (daarbij) niet (voortdurend) de controle over het door haar bestuurde voertuig heeft gehouden en/of niet of onvoldoende heeft geanticipeerd op het voor haar rijdende verkeer en/of haar snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast en/of
- haar aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van de door haar bestuurde personenauto niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was de personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
(vervolgens) heeft zij, verdachte, toen het voor haar uit rijdende verkeer snelheid had verminderd en/of tot stilstand was gekomen (met nagenoeg onverminderde snelheid) een kettingbotsing veroorzaakt, althans is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, een voor haar uit langzamere rijdend of stilstaande meerdere voertuigen (personenauto’s en/of bedrijfsauto’s) (welke op hun beurt zijn gebotst tegen, althans in aanrijding zijn gekomen met, een of meerdere andere voertuigen (personenauto’s en/of bedrijfsauto’s)),
en aldus heeft zij, verdachte, zich zodanig gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander(en),
- genaamd [slachtoffer 1] werd gedood en
- waardoor aan een ander(en) genaamd [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 3 december 2024 te Vaassen in de gemeente Epe, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de richting van Epe, gaande in de richting van Apeldoorn, daarmede rijdende over de weg de Rijksweg A50
terwijl op die weg (de Rijksweg A50 ter hoogte van hectometerpaal 217.0) meerdere motorrijtuigen (personenauto’s) stilstonden dan wel langzaam reden nu in opdracht van de politie, het verkeer op de Rijksweg door Rijkswaterstraat tot stilstand was gebracht en/of
terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie,
- in strijd met artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een mobiel elektronisch apparaat (een mobiele telefoon) heeft vastgehouden en/of de mobiele telefoon meerdere keren heeft gebruikt en/of bediend en/of
- (daarbij) niet (voortdurend) de controle over het door haar bestuurde voertuig heeft gehouden en/of niet of onvoldoende heeft geanticipeerd op het voor haar rijdende verkeer en/of haar snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast en/of
- haar aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van de door haar bestuurde personenauto niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was de personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
(vervolgens) heeft zij, verdachte, toen het voor haar uit rijdende verkeer snelheid had verminderd en/of tot stilstand was gekomen (met nagenoeg onverminderde snelheid) een kettingbotsing veroorzaakt, althans is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, een voor haar uit langzamere rijdend of stilstaande meerdere voertuigen (personenauto’s en/of bedrijfsauto’s) (welke op hun beurt zijn gebotst tegen, althans in aanrijding zijn gekomen met, een of meerdere andere voertuigen (personenauto’s en/of bedrijfsauto’s)),
en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
meer subsidiairalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 3 december 2024 te Vaassen, gemeente Epe als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Autosnelweg Rijksweg A50, haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was om haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers heeft zij, verdachte, toen het voor haar uit rijdende verkeer snelheid had verminderd en/of tot stilstand was gekomen (met nagenoeg onverminderde snelheid) een kettingbotsing veroorzaakt, althans is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, een voor hem uit langzamere rijdend of stilstaande meerdere voertuigen (personenauto’s en/of bedrijfsauto’s) (welke op hun beurt zijn gebotst tegen, althans in aanrijding zijn gekomen met, een of meerdere andere voertuigen (personenauto’s en/of bedrijfsauto’s)).
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, met dien verstande dat de mate van schuld dient te worden gekwalificeerd als ernstige schuld.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd. De verdediging heeft wel bepleit dat de mate van schuld gekwalificeerd moet worden als aanmerkelijke schuld.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aanrijding misdrijf, p. 4 t/m 11;
- het proces-verbaal van onderzoek aan telefoon, p. 120 t/m 125;
- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 140 en 141;
- het proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer 2] , p. 148 en 149;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 september 2025.
De mate van schuld
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval met de dood en met lichamelijk letsel tot gevolg, zoals omschreven in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).
Schuld in de zin van dit wetsartikel houdt in dat er in ieder geval sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Of dit het geval is, hangt af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Wanneer er sprake is van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid, kan dit worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer ernstige gevallen als roekeloos rijgedrag.
Per 1 januari 2020 is de “Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten” in werking getreden (Stb. 2019, 413). Daarbij heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen uitbreiden. Voor dat doel is in artikel 175 WVW, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW bevat, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt.
Op grond van artikel 5a, eerste lid, WVW, moet de rechtbank beoordelen of de verdachte met het uit de bewijsmiddelen blijkende rijgedrag (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij de verkeersregel opzettelijk heeft geschonden en of er sprake was van opzet om deze verkeersregel in opzettelijke mate te schenden en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
a. de verkeersregels
In artikel 5a WVW zijn gedragingen benoemd als voorbeeld van het schenden van de verkeersregels. Het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden is zo’n verkeersregel en staat in het eerste lid, onder k, van het artikel genoemd. Uit het proces-verbaal onderzoek aan telefoon blijkt dat verdachte tijdens het rijden en tot zeer kort voor het ongeval haar mobiele telefoon heeft bediend. De rechtbank stelt dan ook vast dat de verdachte de verkeersregel met betrekking tot het vasthouden van een elektronisch apparaat (een telefoon) tijdens het rijden heeft overtreden.
b. in ernstige mate
Het in artikel 5a WVW vervatte verbod is beperkt tot gedragingen in het verkeer die bestaan in het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Uit de Memorie van Toelichting op dit wetsvoorstel leidt de rechtbank af dat het gaat om een samenstel van gedragingen. Volgens de wetgever gaat het bij ernstig verkeersgevaarlijk gedrag bijvoorbeeld om het meerdere keren of gedurende langere tijd schenden van een verkeersregel, of het schenden van meerdere verkeersregels. Dat het daarbij om één (type) gedraging zou kunnen gaan is dus niet uit te sluiten, maar ook dan zullen de aard en ernst van de overtreding (bij de vaststelling waarvan de herhaling of het voortduren ervan kunnen worden betrokken) in het licht van de overige feiten en omstandigheden in het concrete geval de conclusie moeten rechtvaardigen dat sprake was van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
Het ongeluk heeft plaatsgevonden omstreeks 19:29 uur dus op een moment dat er vaak nog veel verkeer op de weg is. Het was op dat moment donker. Vanaf omstreeks 19:10 uur heeft verdachte veelvuldig haar mobiele telefoon bediend terwijl zij met ongeveer 116 km/u over de snelweg reed. Door op dat tijdstip en met die snelheid veelvuldig met haar telefoon bezig te zijn, heeft verdachte de verkeersregels in ernstige mate geschonden.
c. opzet
Het opzet van de verdachte moet zowel zijn gericht op het overtreden van een of meer verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regel(s). Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet worden afgeleid dat de gedragingen, die elk op zichzelf een overtreding van een verkeersregel inhouden en in veel gevallen niet anders dan opzettelijk kunnen worden begaan, in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige overschrijding van de verkeersregels gericht zijn. In de Memorie van Toelichting bij artikel 5a WVW is opgenomen dat een aantal gedragingen – waaronder het vasthouden van een mobiele telefoon – niet anders dan opzettelijk kunnen worden gepleegd.
De rechtbank is van oordeel dat het langdurig en veelvuldig gebruiken van een mobiele telefoon tijdens het rijden niet anders dan opzettelijk kan zijn gedaan. Immers, het is verdachte geweest die willens en wetens voortdurend haar telefoon heeft bediend en vastgehouden, terwijl zij aan het begin van de avond 116 kilometer per uur reed in het donker op de snelweg. Verdachte heeft daarmee zowel opzet gehad op het schenden van de verkeersregels, als op de ernstige mate van schending daarvan.
d. gevaar te duchten
Om vast te stellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest.
De rechtbank is van oordeel dat het voorzienbaar is dat er een zeer gevaarlijke situatie kan ontstaan wanneer op de snelweg met een aanzienlijke snelheid veelvuldig een mobiele telefoon wordt gebruikt. De rechtbank acht dan ook bewezen dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van andere weggebruikers te duchten was.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een in artikel 5a WVW genoemde gedraging, namelijk het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden. Omdat ook aan de overige bestanddelen van artikel 5a WVW is voldaan, is het verkeersgedrag van verdachte naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als roekeloos rijgedrag zoals omschreven in artikel 5a WVW.
De rechtbank acht dus het primair tenlastegelegde en het daarin opgenomen roekeloos rijgedrag bewezen.
Het letsel van [slachtoffer 2]
heeft door het ongeval een gekneusde borstkas, gekneusde ribben, een gekneusd hart en gekneusde longen opgelopen. Ook heeft zij door het ongeval last gehad van een hersenschudding, een dik oog en een dikke enkel. Daarnaast was er op haar hart een ruis te horen. Op 21 januari kon zij nog niet werken en kon zij door de pijn nog geen dagelijkse bezigheden uitvoeren.
De rechtbank is van oordeel dat dit letsel, dat door de gedragingen van de verdachte bij het slachtoffer is veroorzaakt, moet worden aangemerkt als lichamelijk letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
zij op
of omstreeks3 december 2024 te Vaassen in de gemeente Epe, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de richting van Epe, gaande in de richting van Apeldoorn, daarmede rijdende over de weg de Rijksweg A50
roekeloos,
in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaamheeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl op die weg (de Rijksweg A50 ter hoogte van hectometerpaal 217.0) meerdere motorrijtuigen (personenauto’s) stilstonden dan wel langzaam reden nu in opdracht van de politie, het verkeer op de Rijksweg door Rijkswaterstraat tot stilstand was gebracht en
/ofterwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie,
- in strijd met artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een mobiel elektronisch apparaat (een mobiele telefoon) heeft vastgehouden en
/ofde mobiele telefoon meerdere keren heeft gebruikt en
/ofbediend en
/of-
(daarbij) niet (voortdurend) de controle over het door haar bestuurde voertuig heeft gehouden en/ofniet of onvoldoende heeft geanticipeerd op het voor haar rijdende verkeer en
/ofhaar snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast en
/of- haar aandacht gedurende enige tijd niet,
althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en
/ofde (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en
/ofgehad en
/of- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van de door haar bestuurde personenauto niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was de personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en
/of(vervolgens) heeft zij, verdachte, toen het voor haar uit rijdende verkeer snelheid had verminderd en
/oftot stilstand was gekomen (met nagenoeg onverminderde snelheid) een kettingbotsing veroorzaakt,
althans is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, een voor haar uit langzamere rijdend of stilstaande meerdere voertuigen (personenauto’s en/of bedrijfsauto’s) (welke op hun beurt zijn gebotst tegen, althans in aanrijding zijn gekomen met, een of meerdere andere voertuigen (personenauto’s en/of bedrijfsauto’s),en aldus heeft zij, verdachte, zich zodanig gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander
(en),
- genaamd [slachtoffer 1] werd gedood en
- waardoor aan een ander
(en)genaamd [slachtoffer 2]
zwaar lichamelijk letsel ofzodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en waardoor aan een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 2 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit om een eventuele ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk op te leggen gelet op haar persoonlijke omstandigheden. Daarnaast verzoekt de raadsvrouw om rekening te houden met de uitkomst van de mediationovereenkomst tussen verdachte en de nabestaanden van mevrouw [slachtoffer 1] .
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan roekeloos rijgedrag door haar mobiele telefoon te bedienen terwijl zij met 116 km/u over de snelweg reed. Verdachte is vervolgens bovenop een file gereden. Als gevolg hiervan is mevrouw [slachtoffer 1] overleden en heeft mevrouw [slachtoffer 2] lichamelijk letsel opgelopen. Dit leed is voor de nabestaanden van mevrouw [slachtoffer 1] groot en onherstelbaar. Ook mevrouw [slachtoffer 2] heeft nog altijd last van de nasleep van het ongeval, zo verklaarde zij ter terechtzitting. Ook voor haar ziet het leven er nog altijd niet zo uit als voor het ongeval.
De rechtbank heeft kennis genomen van de mediationovereenkomst die tussen de verdachte en de nabestaanden van mevrouw [slachtoffer 1] is gesloten op 13 augustus 2025. Er is een gesprek geweest tussen hen geweest en daarbij hebben de nabestaanden aan verdachte laten weten dat niemand in de familie wrok of boosheid tegen haar koestert en dat zij haar hebben vergeven. De nabestaanden hebben de wens om de situatie met de overeenkomst af te ronden en zij hebben de officier van justitie verzocht om de zaak niet verder te volgen en de rechtbank verzocht om rekening te houden met de uitkomst van de mediation.
De vraag is welke straf in deze situatie passend is. Het handelen van verdachte heeft zeer grote gevolgen gehad. Kijkend naar de ernst van het feit zou daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend zijn. Maar de rechtbank ziet ook een zeer schuldbewuste verdachte, zonder strafblad, die, hoe confronterend ook, niet is weggelopen voor de door veroorzaakte gevolgen maar haar best heeft gedaan om in contact te komen met de nabestaanden van mevrouw [slachtoffer 1] . Verdachte heeft daarin haar verantwoordelijkheid genomen. Ook houdt de rechtbank rekening met de wens van de nabestaanden, voor wie vervolging en strafoplegging niet had gehoeven.
Alles afwegend zal de rechtbank daarom geen gevangenisstraf opleggen maar overgaan tot het opleggen van de taakstraf. Dat is wel een taakstraf van maximale duur. Een lagere taakstraf zou geen recht doen aan de ernst van het feit en de catastrofale gevolgen die verdachte heeft veroorzaakt.
Door de verdediging is erop gewezen dat verdachte alle straf zal aanvaarden maar dat zij afhankelijk is van haar rijbewijs. Als verdachte haar rijbewijs moet inleveren, dan zal zij uiteindelijk haar baan kwijtraken, omdat de reistijd van en naar werk zonder auto niet te overbruggen is in combinatie met haar gezin met jonge kinderen. Zij komt dan nog verder in de financiële problemen, aangezien ze al met grote schulden te kampen heeft en die op dit moment aan het oplossen is.
Het opleggen van een ontzegging zou hier tot doel hebben om verdachte ervan te doordringen zich voortaan anders te gedragen en ook om het signaal naar anderen af te geven dat de consequentie van bepaald verkeersgedrag is dat men het rijbewijs een tijd moeten inleveren. Verdachte is als gezegd zeer schuldbewust. Dat blijkt ook uit feitelijke maatregelen die zij heeft genomen - het downloaden van een app op haar telefoon zodat zij tijdens het rijden volledig offline is. Daarmee heeft verdachte zien dat een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid niet meer noodzakelijk is om haar ervan te doordringen dat zij dit verkeersgedrag moet nalaten. Dat doel is dus niet meer aan de orde. Het andere doel, het inleveren van het rijbewijs als signaal naar anderen, blijft overeind maar dat zal wel tot gevolg hebben dat verdachte haar baan kwijt raakt. De rechtbank acht die gevolgen te groot om enkel het doel van waarschuwing van anderen te dienen.
Gelet op al deze omstandigheden zal de rechtbank een onvoorwaardelijk ontzegging van de rijbevoegdheid achterwege laten. De rechtbank zal de ontzegging van de rijbevoegdheid wel in voorwaardelijke zin opleggen.
Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 240 uur passend. De rechtbank zal daarnaast een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 2 jaar opleggen met een proeftijd van 2 jaar.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
- 5 a, 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op een
taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

ontzegtverdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde
de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren;
 bepaalt dat
deze ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.A.M. Janssen (voorzitter), mr. A.M.P.T. Blokhuis en mr. R.M. Schoo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 september 2025.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024568004, gesloten op 19 februari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.