ECLI:NL:RBGEL:2025:8861

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
445856
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over de koop van peren met betrekking tot kwaliteit en betalingsverplichtingen

In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 15 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een coöperatie, hierna te noemen [eiser in conv], en een fruitbedrijf, hierna te noemen [gedaagde in conv]. [Eiser in conv] heeft aan [gedaagde in conv] twee partijen peren verkocht, die na het plukken in twee afzonderlijke koelcellen waren opgeslagen. [Gedaagde in conv] heeft de peren nog niet volledig betaald en betwist dat zij het openstaande bedrag moet voldoen. Zij stelt dat [eiser in conv] voorafgaand aan de koop heeft gegarandeerd dat de peren in één van de koelcellen vlooienvrij zouden zijn, maar dat beide cellen met vlo zijn geleverd. [Gedaagde in conv] heeft haar betalingsverplichting opgeschort en vordert in reconventie schadevergoeding en ontbinding van de overeenkomst. De rechtbank oordeelt dat er geen afspraak is gemaakt over de vlooienvrijheid van de peren in cel 34. De vordering van [eiser in conv] tot betaling van de peren wordt grotendeels toegewezen, terwijl de vorderingen van [gedaagde in conv] worden afgewezen. De rechtbank komt tot de conclusie dat [gedaagde in conv] geen recht heeft op opschorting van de betalingsverplichting en dat de schadevergoeding niet kan worden toegewezen omdat [eiser in conv] niet tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. De rechtbank wijst de vorderingen van [gedaagde in conv] af en veroordeelt haar tot betaling van het openstaande bedrag, inclusief wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/445856 / HA ZA 25-4
Vonnis van 15 oktober 2025
in de zaak van
[eiser in conv],
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser in conv] ,
advocaat: mr. C.A.H. van de Sanden,
tegen
[gedaagde in conv],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde in conv] ,
advocaat: mr. A. van Weverwijk.

1.De kern van de zaak

1.1.
[eiser in conv] heeft twee partijen peren aan [gedaagde in conv] verkocht en geleverd, die na het plukken elk afzonderlijk in een koelcel waren opgeslagen. [gedaagde in conv] heeft de peren (nog) niet volledig betaald. In deze procedure in conventie vordert [eiser in conv] betaling van het openstaande bedrag door [gedaagde in conv] . [gedaagde in conv] betwist dat zij dit bedrag moet betalen. Zij meent dat [eiser in conv] voorafgaand aan de koop heeft meegedeeld en gegarandeerd dat de peren in één van de koelcellen vlooienvrij zouden zijn. [eiser in conv] heeft echter beide cellen met vlo geleverd. Volgens [gedaagde in conv] is [eiser in conv] dan ook tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en om die reden heeft zij haar betalingsverplichting opgeschort. Ook betwist [gedaagde in conv] de hoogte van het openstaande bedrag. In reconventie vordert [gedaagde in conv] een vergoeding van de schade die zij als gevolg van de tekortkoming van [eiser in conv] stelt te hebben geleden, nader op te maken bij staat. Daarnaast vordert zij dat de rechtbank de overeenkomst tussen partijen (gedeeltelijk) ontbindt en voor recht verklaart dat [gedaagde in conv] door de onjuiste mededeling van [eiser in conv] over de kwaliteit van de peren heeft gedwaald. De rechtbank komt tot de conclusie dat partijen niet hebben afgesproken dat de peren in één van de cellen vlooienvrij zouden zijn. De vordering van [eiser in conv] tot betaling van de peren wordt daarom (grotendeels) toegewezen en de vorderingen van [gedaagde in conv] worden afgewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 mei 2025,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 juli 2025.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eiser in conv] is een coöperatie die de verkoop van groenten en fruit verzorgt voor bij haar aangesloten telers. Dit doet zij door te bemiddelen tussen telers en afnemers of door de producten te veilen. Perenteler [naam 1] is een aangesloten teler.
3.2.
[gedaagde in conv] is een bedrijf dat handelt in fruit en fruit levert aan marktpartijen, zoals supermarktorganisaties. Met dat doel koopt zij peren in, onder andere bij [eiser in conv] .
3.3.
Begin 2024 heeft [gedaagde in conv] van [eiser in conv] een partij peren gekocht voor € 0,80 per kilogram die in het najaar van 2023 was geplukt en die afkomstig was van het perceel van [naam 1] .
3.4.
[gedaagde in conv] wist dat deze partij peren besmet was met de perenbladvlo. Dit is een kleine insectensoort die een op nectar lijkende substantie produceert. Peren die met deze substantie zijn besmeurd, zijn vatbaar voor schimmels, krijgen zwarte vlekken en rotten eerder. Veel van de in 2023 geplukte peren, ook elders in het land, waren besmet met deze vlo.
3.5.
[gedaagde in conv] heeft de partij peren gewassen en (met verlies) verkocht.
3.6.
In april 2024 hebben [gedaagde in conv] en [eiser in conv] contact gehad over de (ver)koop van een nieuwe partij peren. Ook deze peren waren in het najaar van 2023 geplukt en afkomstig van het perceel van [naam 1] .
3.7.
De peren zijn na het plukken bij [bedrijf 1] opgeslagen in twee koelcellen, cel 34 en cel 35. [naam 1] heeft [eiser in conv] geïnformeerd dat de peren in beide cellen vlo bevatten.
3.8.
Op 11 april 2024 heeft [gedaagde in conv] [eiser in conv] om 9:00 uur via WhatsApp bericht:
“[…]
Die goeie cel is ook geen top hè ! Ook een vlo enz !
95 voor de goeie en dan max 81 voor die andere!
Maar wel allebei !
[…]
Tot 12 uur geld dit bod (…).”
3.9.
Diezelfde ochtend vóór 11:00 uur hebben medewerkers van [gedaagde in conv] de peren in cel 34 en cel 35 door het dakluik in de betreffende cellen geïnspecteerd. Vanuit het dakluik is slechts een klein gedeelte van de peren in de cel zichtbaar. De peren die in cel 34 zichtbaar waren, leken schoon (vlooienvrij) en zagen er beduidend beter uit dan de peren in cel 35.
3.10.
Na de inspectie heeft [gedaagde in conv] [eiser in conv] telefonisch meegedeeld dat zij zowel cel 34 als cel 35 wilde kopen.
3.11.
Vervolgens heeft [eiser in conv] een schriftelijke overeenkomst opgemaakt, die [gedaagde in conv] op 11 april 2024 heeft ondertekend. In de overeenkomst staat voor zover van belang:
Hoeveelheid/Prijs Cel 35+/- 160 ton Conference € 0.81 , prijs is ex BTW. / weegbrug gewicht
Cel 34+/- 160 ton Conference € 0.95, prijs is ex BTW / weegbrug gewicht
[…]
Betaling Betaling per cel. Weegbrug bonnen doorgeven en na facturatie 30 dagen
Betalingstermijn.
[…]
Overig alle Kg zoals gezien
3.12.
Op de overeenkomst zijn de algemene verkoopvoorwaarden van [eiser in conv] van toepassing. De overeenkomst vermeldt dat ‘de algemene verkoopvoorwaarden zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Tiel onder nummer 11005734’. In die voorwaarden staat in artikel 7 dat de koper in geval van het (gedeeltelijk) niet betalen van een factuur een vertragingsrente van 7% per maand is verschuldigd en dat de buitengerechtelijke kosten ten minste 15% bedragen van de verschuldigde bedragen in hoofdsom. Verder staat in artikel 7 dat de koper gehouden is alle met een (eventueel) gevoerde gerechtelijke procedure gemoeide daadwerkelijke kosten te vergoeden.
3.13.
In de periode tussen 11 april 2024 en 4 mei 2024 heeft [gedaagde in conv] de peren in cel 35 bij [bedrijf 1] opgehaald. [gedaagde in conv] heeft de peren gesorteerd, gewassen en daarna verkocht.
3.14.
Op 17 mei 2024 heeft [eiser in conv] [gedaagde in conv] voor cel 35 een factuur gestuurd van € 156.502,85 inclusief btw. [gedaagde in conv] heeft deze factuur voor een gedeelte, te weten voor een bedrag van € 56.502,85, betaald.
3.15.
In de periode tussen 24 juni 2024 en 1 juli 2024 heeft [gedaagde in conv] de peren in cel 34 bij [bedrijf 1] opgehaald. Bij het lossen van de peren op het bedrijf van [gedaagde in conv] bleek een groot gedeelte daarvan ernstig aangetast te zijn door vlo.
3.16.
[gedaagde in conv] heeft deze peren niet kunnen wassen, omdat dat kort daarvoor in Nederland en België was verboden. Uiteindelijk heeft [gedaagde in conv] honderdveertig bakken peren afkomstig uit cel 34 niet kunnen verkopen vanwege aantasting door vlo.
3.17.
Op 31 juli 2024 heeft de advocaat van [eiser in conv] [gedaagde in conv] per brief gesommeerd het weegbruggewicht voor cel 34 door te geven. In de brief staat verder dat [eiser in conv] het gewicht zelf zal schatten en op basis daarvan zal factureren als [gedaagde in conv] het gewicht niet doorgeeft.
3.18.
Op 8 augustus 2024 heeft [eiser in conv] [gedaagde in conv] voor cel 34 een factuur gestuurd van € 183.552,73 inclusief btw, gebaseerd op een door haar geschat weegbruggewicht. [gedaagde in conv] heeft deze factuur niet betaald.
3.19.
Op 13 juni 2025 heeft [eiser in conv] [gedaagde in conv] een creditfactuur gestuurd met daarop een verlaging van € 11.358,63 exclusief btw op het oorspronkelijke factuurbedrag voor cel 35 en een verlaging van € 36.232,00 exclusief btw op het oorspronkelijke factuurbedrag voor cel 34.
3.20.
Partijen zijn niet tot een regeling gekomen.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
[eiser in conv] vordert dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagde in conv] veroordeelt tot betaling van de koopsom van € 283.522,73 binnen één week na betekening van dit vonnis,
[gedaagde in conv] veroordeelt tot betaling van de vertragingsrente van 7% per maand te rekenen vanaf de vervaldatum van de facturen tot aan de datum van de dagvaarding vastgesteld op € 5.924,29,
[gedaagde in conv] veroordeelt tot betaling van de vertragingsrente van 7% per maand, te rekenen vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de datum van dit vonnis,
[gedaagde in conv] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van 15% van de verschuldigde hoofdsom ten bedrage van € 42.528,30, subsidiair tot betaling van de buitengerechtelijke kosten conform de staffel,
[gedaagde in conv] veroordeelt tot betaling van de door [eiser in conv] daadwerkelijk gemaakte kosten van invordering,
[gedaagde in conv] veroordeelt tot betaling van fusthuurkosten van € 844,75,
[gedaagde in conv] veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
Aan deze vorderingen legt [eiser in conv] het volgende ten grondslag. [eiser in conv] heeft twee cellen peren, cel 34 en cel 35, aan [gedaagde in conv] verkocht en geleverd. [gedaagde in conv] heeft voor cel 34 niet betaald en voor cel 35 slechts gedeeltelijk betaald. Er staat nog een bedrag van in totaal € 283.522,73 open. [eiser in conv] maakt aanspraak op betaling van dit openstaande bedrag door [gedaagde in conv] . Op grond van artikel 7 van de algemene voorwaarden is [gedaagde in conv] over het openstaande bedrag een rente van 7% per maand en 15% buitengerechtelijke kosten verschuldigd en moet zij daarnaast alle met een gerechtelijke procedure gemoeide daadwerkelijke kosten vergoeden. Verder maakt [eiser in conv] aanspraak op betaling door [gedaagde in conv] van fusten (voorraadbakken) die [gedaagde in conv] van haar heeft gehuurd.
4.3.
[gedaagde in conv] betwist dat zij gehouden is het openstaande bedrag van € 283.522,73 (geheel) te betalen. Daartoe voert zij aan dat [eiser in conv] voorafgaand aan de koop heeft meegedeeld en gegarandeerd dat de peren in cel 34 vlooienvrij zouden zijn, maar dat zij beide cellen met vlo heeft geleverd. [eiser in conv] is daarom tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en [gedaagde in conv] mocht haar betalingsverplichting opschorten. Verder voert [gedaagde in conv] aan dat de hoogte van het openstaande bedrag niet juist is. Ook betwist zij de door [eiser in conv] gevorderde rente en kosten verschuldigd te zijn. [eiser in conv] heeft [gedaagde in conv] immers geen redelijke mogelijkheid geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen, zodat de daarin opgenomen rente- en kostenbedingen vernietigbaar zijn. Daarnaast doorstaan de gevorderde buitengerechtelijke kosten de dubbele redelijkheidstoets niet. Met betrekking tot de fusthuurkosten voert [gedaagde in conv] aan dat deze niet zijn onderbouwd en dat [eiser in conv] zelf heeft geweigerd de fusten retour te nemen.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.5.
[gedaagde in conv] vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verkoopovereenkomst tussen partijen partieel ontbindt en bepaalt dat [gedaagde in conv] geen betaling aan [eiser in conv] meer verschuldigd is ter zake de overeenkomst, althans subsidiair, voor recht verklaart dat [gedaagde in conv] heeft gedwaald ter zake de hoedanigheid c.q. kwaliteit van de van [eiser in conv] gekochte peren in cel 34 en de gevolgen van de verkoopovereenkomst tussen partijen aldus te wijzigen dat [gedaagde in conv] geen betaling meer aan [eiser in conv] verschuldigd is ter zake de verkoopovereenkomst. Deze vordering is ingesteld onder de voorwaarde dat de rechtbank het door [gedaagde in conv] in conventie gevoerde (verrekenings)verweer niet honoreert.
4.6.
Daarnaast vordert [gedaagde in conv] (onvoorwaardelijk) dat de rechtbank [eiser in conv] veroordeelt tot het betalen van een schadevergoeding nader op te maken bij staat, althans subsidiair tot het betalen van een schadevergoeding ter hoogte van een nader door de rechtbank vast te stellen bedrag en dat de rechtbank bepaalt dat enige betalingsverplichting waartoe [gedaagde in conv] veroordeeld zou kunnen worden door [gedaagde in conv] verrekend kan worden met haar toegewezen vorderingen in reconventie.
4.7.
Aan haar voorwaardelijke vordering legt [gedaagde in conv] het volgende ten grondslag. [eiser in conv] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst door peren met vlo aan [gedaagde in conv] te leveren, terwijl zij heeft meegedeeld dat de peren in cel 34 vlooienvrij zouden zijn. Ook is [eiser in conv] in verzuim geraakt. [gedaagde in conv] vordert daarom dat de rechtbank de tussen partijen gesloten overeenkomst gedeeltelijk ontbindt. Door de ontbinding is [gedaagde in conv] (deels) bevrijd van haar betalingsverplichting. Daarnaast meent [gedaagde in conv] dat zij heeft gedwaald door de onjuiste mededeling van [eiser in conv] over de kwaliteit van de peren in cel 34. In verband met die dwaling dienen de gevolgen van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst op de voet van artikel 6:230 lid 2 BW te worden gewijzigd, in die zin dat de koopprijs wordt verminderd.
4.8.
Aan haar onvoorwaardelijke vordering legt [gedaagde in conv] ten grondslag dat [eiser in conv] de schade dient te vergoeden die [gedaagde in conv] als gevolg van de tekortkoming van [eiser in conv] lijdt. Die schade bestaat uit extra kosten die [gedaagde in conv] heeft moeten maken voor vervoer naar [eiser in conv] , stort- c.q. afvoerkosten en koelkosten. Daarnaast heeft [gedaagde in conv] (spoed)vervangingsaankopen moeten doen om aan haar leveringsverplichtingen jegens derden te voldoen. De omvang van de schade kan nog niet definitief worden vastgesteld. Daarom is verwijzing naar de schadestaat nodig. De schade die [eiser in conv] moet vergoeden, moet worden verrekend met een (eventuele) betalingsverplichting van [gedaagde in conv] .
4.9.
[eiser in conv] betwist dat partijen zijn overeengekomen dat de peren in cel 34 (volledig) vlooienvrij zouden zijn. [eiser in conv] heeft [gedaagde in conv] voorafgaand aan de koop juist uitdrukkelijk meegedeeld dat de peren in cel 34 aangetast konden zijn door vlo. Dat de peren in cel 34 besmet waren met vlo levert dan ook geen tekortkoming van [eiser in conv] in de nakoming van de overeenkomst op. Omdat [eiser in conv] niet is tekortgeschoten, is zij niet schadeplichtig jegens [gedaagde in conv] en kan de rechtbank de overeenkomst tussen partijen ook niet (gedeeltelijk) ontbinden. Ook heeft [gedaagde in conv] niet gedwaald, zodat er geen grondslag bestaat voor het verminderen van de koopprijs.
4.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie
5.1.
Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde in conv] twee cellen peren (cel 34 en cel 35) van [eiser in conv] heeft gekocht, waarvan in ieder geval één cel (cel 35) peren met vlo bevatte. [gedaagde in conv] heeft de peren uit die cel gesorteerd, gewassen en daarna verkocht. Ook zijn partijen het erover eens dat de peren uit de andere cel (cel 34) er bij inspectie door [gedaagde in conv] voorafgaand aan de koop schoon (vlooienvrij) uitzagen, maar dat een deel daarvan bij aankomst op het bedrijf van [gedaagde in conv] zwart was, dat wil zeggen ernstig aangetast was met vlo. De kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of partijen hebben afgesproken dat de peren in cel 34 (volledig) vrij zouden zijn van vlo.
Kwaliteit van de peren
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden geconcludeerd dat partijen zijn overeengekomen dat de peren in cel 34 vrij zouden zijn van vlo. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde in conv] eerder via [eiser in conv] een partij peren had gekocht die afkomstig was van hetzelfde perceel van [naam 1] , dat die partij besmet was met vlo en dat [gedaagde in conv] daarvan op de hoogte was. Ook is niet in geschil dat [gedaagde in conv] ervan op de hoogte was dat de eerder door haar gekochte partij peren in hetzelfde jaar was geplukt als de peren in cel 34 en cel 35 en dat veel peren in dat jaar besmet waren met vlo. [naam 1] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij [eiser in conv] erover heeft geïnformeerd dat beide cellen (en dus ook cel 34) vlo bevatten en [eiser in conv] heeft dit bevestigd. Ook [gedaagde in conv] heeft verklaard dat zij heeft gehoord dat [naam 1] [eiser in conv] heeft geïnformeerd dat de peren in beide cellen vlo bevatten. Uit het WhatsApp-bericht van [gedaagde in conv] aan [eiser in conv] van 11 april 2024 waarin zij schrijft dat ook ‘de goede cel’ (waarmee cel 34 is bedoeld) vlo bevat, blijkt dat [eiser in conv] die informatie ook met [gedaagde in conv] heeft gedeeld. Anders dan [gedaagde in conv] stelt, ligt het niet voor de hand dat [eiser in conv] daar later – dat wil zeggen in de tijd tussen het appbericht van [gedaagde in conv] en het telefoontje van [gedaagde in conv] later die ochtend waarin zij [eiser in conv] heeft meegedeeld beide cellen te willen kopen – op is teruggekomen door aan [gedaagde in conv] mee te delen dat cel 34 toch geen vlo bevatte. Het is ook niet gebleken dat [eiser in conv] in die tussentijd over informatie is komen te beschikken op basis waarvan zij is teruggekomen op haar eerdere mededeling aan [gedaagde in conv] over de vlo in cel 34. Ook is niet gebleken dat [naam 1] op zijn verklaring is teruggekomen. [eiser in conv] betwist bovendien dat zij [gedaagde in conv] voor aankoop van cel 34 telefonisch (andere) mededelingen heeft gedaan over de kwaliteit van de peren. [gedaagde in conv] was daarbij van de mindere kwaliteit van de peren op de hoogte; in haar conclusie van antwoord omschrijft zij de peren als ‘niet perfect’.
5.4.
In de overeenkomst tussen partijen is niet als vereiste opgenomen dat de peren in cel 34 vlooienvrij zouden zijn. Ook overigens vermeldt de overeenkomst niets over de kwaliteit van de peren. Als het al zo was dat [gedaagde in conv] meende te hebben begrepen dat de peren in cel 34 vlooienvrij zouden zijn dan had het op haar weg gelegen om dit in de overeenkomst op te nemen. Zij had immers eerder peren met vlo van [naam 1] had gekocht en wist dat die peren in hetzelfde jaar waren geplukt als de peren in cel 34 en dat vlo in dat jaar veel voorkwam. Dit heeft zij niet gedaan. Weliswaar staat in de overeenkomst ‘alle kg zoals gezien’, maar zelfs als dit als een garantie zou moeten worden uitgelegd had [gedaagde in conv] deze bepaling gelet op hetgeen [eiser in conv] haar heeft meegedeeld over de kwaliteit van de peren in cel 34 niet zo mogen opvatten dat alle peren in cel 34 vlooienvrij zouden zijn. De enkele omstandigheid dat de peren in cel 34 er bij bezichtiging door het dakluik van de betreffende koelcel van bovenaf schoon (vlooienvrij) uitzagen wil ook nog niet zeggen dat de kwaliteit van de hele cel zo was en [gedaagde in conv] mocht daar redelijkerwijs ook niet vanuit gaan. Als professioneel inkoper had [gedaagde in conv] immers moeten weten dat de door het dakluik zichtbare (bovenste) laag peren niet altijd representatief is voor de rest van de cel. Zoals [eiser in conv] ter zitting onweersproken heeft gesteld is het speculatief: de ene keer valt het mee, de andere keer valt het tegen.
5.5.
Hier komt nog bij dat de prijs voor beide cellen al in het WhatsApp-bericht van [gedaagde in conv] van 11 april 2024 is vastgelegd op basis van de veronderstelling van [gedaagde in conv] dat de peren in beide cellen vlo bevatten. [gedaagde in conv] heeft geen verklaring gegeven voor de omstandigheid dat de prijs voor cel 34 nadien, althans nadat [eiser in conv] volgens haar (telefonisch) zou hebben bevestigd dat die cel vlooienvrij zou zijn, hetzelfde is gebleven. Indien cel 34 ook volgens [eiser in conv] vlooienvrij zou zijn geweest, had het voor de hand gelegen dat de prijs voor die cel zou zijn gestegen. Dat is echter niet gebeurd.
5.6.
Verder komt het voor rekening en risico van [gedaagde in conv] dat zij langer heeft gewacht met het ophalen en sorteren van cel 34, waardoor de kwaliteit van de peren achteruit is gegaan. Zoals [eiser in conv] tijdens de zitting onweersproken heeft verklaard, hadden de peren in deze cel snel gesorteerd moeten worden, zoals [gedaagde in conv] ook met de peren uit cel 35 heeft gedaan. Die peren heeft [gedaagde in conv] nog kunnen wassen en met (beperkte) winst kunnen verkopen. De omstandigheid dat zij dat met de peren uit cel 34 niet meer kon doen omdat de regeling op dat moment net was aangepast en het wassen van peren in Nederland en België daardoor niet meer was toegestaan, komt niet voor rekening van [eiser in conv] .
5.7.
Al met al kan het zo zijn dat partijen hebben gesproken over ‘goede cel’ of ‘minder vlo’ na inspectie van cel 34 door het dakluik en [gedaagde in conv] deze woorden vervolgens heeft opgevat als ‘vlooienvrij’, maar dat betekent nog niet dat [eiser in conv] dat ook aan haar heeft meegedeeld. Onder deze omstandigheden heeft [gedaagde in conv] onvoldoende gemotiveerd betwist dat partijen hebben afgesproken dat [eiser in conv] cel 34 met vlo aan haar zou verkopen. Daardoor wordt aan verdere bewijslevering niet toegekomen. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat [eiser in conv] cel 34 met vlo aan [gedaagde in conv] zou verkopen.
Prijs van de peren
5.8.
Nu is afgesproken dat [eiser in conv] cel 34 met vlo aan [gedaagde in conv] zou verkopen, kan niet worden geoordeeld dat [eiser in conv] in de nakoming van de overeenkomst is tekortgeschoten doordat die cel vlo bevatte. Dit betekent dat [gedaagde in conv] geen beroep op opschorting toekomt (artikel 6:262 BW), zodat zij [eiser in conv] voor cel 34 en cel 35 moet betalen.
5.9.
Het weegbruggewicht op basis waarvan de prijs van de cellen zou worden bepaald is tussen partijen niet meer in geschil. [eiser in conv] heeft [gedaagde in conv] een creditfactuur gestuurd en komt daarmee, na aftrek van het bedrag in die factuur, voor cel 35 uit op een bedrag van € 132.221,97 exclusief btw. Die prijs correspondeert met het weegbruggewicht dat [gedaagde in conv] voor die cel aan [eiser in conv] had doorgegeven en de prijs die zij op basis van dat gewicht voor zichzelf had berekend. Voor cel 34 komt [eiser in conv] , na aftrek van het bedrag in de creditfactuur, uit op een lagere prijs dan [gedaagde in conv] voor zichzelf had berekend, namelijk een bedrag van € 132.165,00 exclusief btw.
5.10.
Voor zover [eiser in conv] ondanks haar creditfactuur heeft bedoeld meer dan deze bedragen aan [gedaagde in conv] te factureren, geldt dat zij dat meerdere niet heeft onderbouwd. Vast staat immers dat de oude facturen die [eiser in conv] [gedaagde in conv] voor cel 34 en 35 heeft gestuurd niet juist zijn en [eiser in conv] heeft niet toegelicht van welke bedragen zij dan wel betaling van [gedaagde in conv] verlangt, noch daargelaten dat zij daarvoor geen factuur in het geding heeft gebracht.
5.11.
Daarmee komt de totale prijs voor beide cellen exclusief btw neer op € 264.386,97 (€ 132.221,97 + € 132.165,00). Inclusief btw bedraagt de totale prijs dan € 288.181,80 (€ 264.386,97 + 9% btw). [gedaagde in conv] heeft [eiser in conv] al een bedrag van € 56.502,85 inclusief btw betaald. Dit betekent dat nog een bedrag van € 231.678,95 resteert. [gedaagde in conv] zal worden veroordeeld dit resterende bedrag aan [eiser in conv] te betalen. De vordering van [eiser in conv] tot betaling van de facturen zal in zoverre worden toegewezen.
Rente, buitengerechtelijke kosten en kosten van invordering
5.12.
Op grond van artikel 7 van haar algemene voorwaarden vordert [eiser in conv] rente over het toe te wijzen bedrag en een vergoeding van buitengerechtelijke kosten en werkelijke proceskosten. Volgens [gedaagde in conv] is zij die rente en kosten niet verschuldigd. [eiser in conv] heeft haar immers geen redelijke mogelijkheid geboden om van haar algemene voorwaarden kennis te nemen, zodat de rente- en kostenbedingen die daarin zijn opgenomen vernietigbaar zijn, aldus [gedaagde in conv] .
5.13.
Een beding in de algemene voorwaarden is vernietigbaar als de gebruiker van de voorwaarden ( [eiser in conv] ) aan de wederpartij ( [gedaagde in conv] ) niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen (artikel 6:233 onder b BW). De gebruiker van algemene voorwaarden heeft aan de wederpartij een redelijke mogelijkheid geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen, indien hij de algemene voorwaarden i) vóór of bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij ter hand heeft gesteld of ii) de voorwaarden op de in artikel 6:230c BW voorziene wijze heeft verstrekt. Indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, moet de gebruiker iii) vóór de totstandkoming van de overeenkomst aan de wederpartij bekend maken dat de voorwaarden bij hem ter inzage liggen of bij een door hem opgegeven Kamer van Koophandel of een griffie van een gerecht zijn gedeponeerd, alsmede dat zij op verzoek zullen worden toegezonden (artikel 6:234 BW).
5.14.
Vast staat dat [eiser in conv] haar algemene voorwaarden niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan [gedaagde in conv] heeft verstrekt, zodat geen sprake is van een situatie als bedoeld onder i). Ook is niet gebleken dat is voldaan aan één van de in artikel 6:230c BW genoemde manieren om de algemene voorwaarden te verstrekken, zoals de rechtbank hierna toelicht.
5.15.
Op grond van artikel 6:230c BW moeten de algemene voorwaarden op eigen initiatief van de dienstverrichter ( [eiser in conv] ) worden verstrekt, dan wel voor de afnemer ( [gedaagde in conv] ) gemakkelijk toegankelijk zijn op de plaats waar de dienst wordt verricht of de overeenkomst wordt gesloten of moeten de voorwaarden gemakkelijk elektronisch toegankelijk zijn op een door de gebruiker meegedeeld adres of zijn opgenomen in alle door de gebruiker aan de wederpartij verstrekte documenten waarin deze dienst in detail wordt beschreven.
5.16.
Zoals hiervoor is overwogen, staat vast dat [eiser in conv] de algemene voorwaarden niet (op eigen initiatief) aan [gedaagde in conv] heeft verstrekt. Ook is niet gesteld of gebleken dat de algemene voorwaarden van [eiser in conv] op de plaats waar de dienst wordt verricht of de overeenkomst is gesloten gemakkelijk toegankelijk zijn, bijvoorbeeld doordat de voorwaarden bij [eiser in conv] ter inzage liggen op een voor haar afnemers vrij toegankelijke locatie. De in de overeenkomst tussen partijen opgenomen mogelijkheid om de algemene voorwaarden op te vragen bij de Kamer van Koophandel maakt ook niet dat de algemene voorwaarden gemakkelijk (elektronisch) toegankelijk zijn. Een (concrete) verwijzing naar een website waar de algemene voorwaarden te vinden zijn, ontbreekt immers. Daarnaast zijn de algemene voorwaarden ook niet opgenomen in alle door [eiser in conv] aan [gedaagde in conv] verstrekte documenten. De overeenkomst tussen partijen bevat immers slechts een verwijzing naar de algemene voorwaarden in algemene zin en de facturen die [eiser in conv] [gedaagde in conv] heeft gestuurd bevatten helemaal geen verwijzing naar de voorwaarden. Aan de voorwaarden in artikel 6:230c BW is dan ook niet voldaan.
5.17.
Voor zover [eiser in conv] met betrekking tot de terbeschikkingstelling van haar algemene voorwaarden een beroep heeft willen doen op de hiervoor in r.o. 5.13. genoemde mogelijkheid onder iii), slaagt ook dat beroep niet. Die mogelijkheid komt namelijk alleen in beeld als optie i) en ii) redelijkerwijs niet mogelijk zijn en [eiser in conv] [gedaagde in conv] , naast de vermelding in de overeenkomst dat de algemene voorwaarden bij de Kamer van Koophandel kunnen worden opgevraagd, heeft meegedeeld dat zij de algemene voorwaarden op verzoek zal toezenden. Niet gesteld of gebleken is dat terbeschikkingstelling van de algemene voorwaarden conform optie i) of ii) niet mogelijk was en dat [eiser in conv] die mededeling aan [gedaagde in conv] heeft gedaan.
5.18.
Dit betekent dat [eiser in conv] [gedaagde in conv] geen redelijke mogelijkheid heeft geboden om van haar algemene voorwaarden kennis te nemen, zodat de daarin opgenomen rente- en kostenbedingen die [eiser in conv] aan haar vordering ten grondslag legt in beginsel vernietigbaar zijn.
5.19.
[gedaagde in conv] kan zich echter niet op de vernietigbaarheid van die bedingen beroepen wanneer zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst met [eiser in conv] met die bedingen bekend was of geacht kon worden bekend te zijn (de zogenaamde bekendheidsuitzondering). [1] Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan het geval dat regelmatig gelijksoortige overeenkomsten tussen partijen worden gesloten, terwijl de algemene voorwaarden bij het sluiten van de eerste overeenkomst aan de wederpartij ter hand zijn gesteld. [eiser in conv] heeft echter niet gesteld dat die situatie zich hier voordoet en dat is bovendien onvoldoende gebleken.
5.20.
De conclusie is dan dat het beroep van [gedaagde in conv] op de vernietigbaarheid van de rente- en kostenbedingen in de algemene voorwaarden van [eiser in conv] slaagt. Als gevolg daarvan kan [eiser in conv] geen aanspraak maken op rente en kosten op grond van haar algemene voorwaarden, zodat haar vorderingen tot betaling van de rente van 7%, de buitengerechtelijke kosten van 15% en de werkelijke proceskosten zullen worden afgewezen.
5.21.
Nu (de hoogte van) rente en kosten door de vernietiging niet meer door artikel 7 van de algemene voorwaarden wordt bepaald, zal onder verwijzing naar artikel 3:42 BW wat dat betreft worden teruggevallen op de hierna genoemde wettelijke regelingen. Zonder onderbouwing van het tegendeel wordt aangenomen dat die wettelijke regelingen zouden zijn toegepast, indien was voorzien dat voormeld artikel 7 door de vernietiging niet van toepassing was. Gesteld noch gebleken is dat toepassing van de wettelijke regeling jegens [gedaagde in conv] onredelijk is. In deze afweging weegt de reden van vernietiging mee, die hier niet is ingegeven doordat het beding voorkomt op de grijze of zwarte lijst, maar doordat de algemene voorwaarden niet zijn verstrekt. Van een beding dat boven twijfel onredelijk is, is dan ook geen sprake. Voor conversie bestaat in dit geval, waarin sprake is van een overeenkomst tussen twee professionele partijen, dan ook ruimte (Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 6 1990, p. 1588 (nr. 2), p. 1588).
5.22.
De vordering van [eiser in conv] vloeit voort uit een handelsovereenkomst. Dit betekent dat [eiser in conv] in beginsel aanspraak kan maken op de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW. De wettelijke handelsrente is echter hoger dan de rente van 7% die [eiser in conv] heeft gevorderd, zodat de rechtbank de wettelijke handelsrente niet kan toewijzen. De wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW komt als het mindere wel voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal daarom over het toe te wijzen bedrag van € 231.678,95 de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijzen. De rente zal worden toegewezen vanaf de datum van de creditfactuur van [eiser in conv] , 13 juni 2025, omdat [gedaagde in conv] eerder dan die datum niet wist wat het juist verschuldigde bedrag was.
5.23.
De vraag of [gedaagde in conv] buitengerechtelijke kosten verschuldigd is, moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Nu [eiser in conv] niet heeft gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, is [gedaagde in conv] in beginsel geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. In dit geval is echter sprake van een handelsovereenkomst die op of na 16 maart 2013 is gesloten, waarbij de wettelijke betalingstermijn of overeengekomen betalingstermijn is verstreken. Op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW is dan een bedrag van € 40,00 toewijsbaar is, ook als geen incassowerkzaamheden zijn verricht.
Fusthuur
5.24.
Verder maakt [eiser in conv] aanspraak op betaling door [gedaagde in conv] van een bedrag van € 844,75 aan fusthuur. Dit bedrag ziet volgens haar op fusten (voorraadbakken) die [gedaagde in conv] van haar heeft gehuurd.
5.25.
Niet gesteld of gebleken is dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde in conv] deze fusten van [eiser in conv] zou huren en zo ja, voor welke prijs. Daar komt bij dat [gedaagde in conv] tijdens de zitting onweersproken heeft verklaard dat zij heeft aangeboden de fusten aan [eiser in conv] terug te leveren, maar dat [eiser in conv] die niet heeft geaccepteerd. Bij die stand van zaken heeft [eiser in conv] deze vordering onvoldoende onderbouwd. De vordering zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
5.26.
[gedaagde in conv] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom in beginsel de proceskosten (inclusief nakosten) betalen (237 lid 1 Rv). Anders dan [gedaagde in conv] stelt, ziet de rechtbank in de procesopstelling van [eiser in conv] geen aanleiding om van deze hoofdregel af te wijken en [eiser in conv] in de proceskosten te veroordelen. Op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst was het aan [gedaagde in conv] om de weegbruggewichten op basis waarvan de prijs voor beide cellen zou worden bepaald aan [eiser in conv] door te geven. [gedaagde in conv] heeft het weegbruggewicht voor cel 34, ondanks een sommatie van [eiser in conv] , niet doorgegeven. Hierdoor moest [eiser in conv] het weegbruggewicht en de prijs voor die cel dus wel schatten. Voor zover [eiser in conv] daarbij van een te hoog gewicht en daardoor een hoge(re) prijs is uitgegaan, heeft [gedaagde in conv] dat dus deels aan zichzelf te wijten. Van het (excessief) opkloppen van de vordering door [eiser in conv] is geen sprake. Dit betekent dat [gedaagde in conv] in de proceskosten zal worden veroordeeld.
5.27.
De proceskosten van [eiser in conv] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
115,22
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
5.428,00
(2 punten × € 2.714,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
12.543,22
Uitvoerbaar bij voorraad
5.28.
[eiser in conv] vordert het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. [gedaagde in conv] voert daartegen verweer. Volgens [gedaagde in conv] heeft [eiser in conv] dit onderdeel van haar vordering niet onderbouwd en heeft zij daarnaast ook geen enkel belang bij uitvoerbaarheid bij voorraad.
5.29.
Bij de beoordeling van een vordering tot uitvoerbaarheidverklaring bij voorraad op grond van artikel 233 Rv dienen de belangen van partijen te worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Bij de belangenafweging wordt degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt (in dit geval [eiser in conv] ), vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben. Het had dan ook op de weg van [gedaagde in conv] gelegen om concrete feiten en omstandigheden aan te voeren en onder verwijzing daarnaar onderbouwd te stellen dat haar belang bij het achterwege blijven van uitvoerbaarverklaring bij voorraad prevaleert boven het belang van [eiser in conv] bij toewijzing van de betreffende vordering. Dit heeft [gedaagde in conv] nagelaten. De rechtbank zal het vonnis daarom uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
in reconventie
5.30.
[gedaagde in conv] heeft haar eerste vordering voorwaardelijk ingesteld. Indien met de voorwaarde waaronder deze vordering is ingesteld wordt bedoeld het verrekeningsverweer geldt dat [gedaagde in conv] zich voor het eerst ter zitting op verrekening heeft beroepen en zij daartoe voorts onvoldoende heeft gesteld. Zo heeft zij bijvoorbeeld niet gesteld welke bedragen zij met elkaar wenst te verrekenen en waarom deze vorderingen met elkaar samenhangen.
5.31.
Indien met de voorwaarde waaronder de vordering is ingesteld wordt bedoeld het verweer dat [eiser in conv] in de nakoming van de overeenkomst is tekortgeschoten, dan geldt dat niet is komen vast te staan dat van een tekortkoming van [eiser in conv] sprake is. [gedaagde in conv] heeft, zoals hiervoor is overwogen, gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiser in conv] onvoldoende onderbouwd gesteld dat partijen hebben afgesproken dat de peren in cel 34 vlooienvrij zouden zijn. Bij die stand van zaken gaat dit verweer en ook het beroep van [gedaagde in conv] op ontbinding en dwaling niet op. De voorwaardelijke vordering van [gedaagde in conv] zal daarom worden afgewezen.
5.32.
Omdat niet is komen vast te staan dat [eiser in conv] in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen is tekortgeschoten, is [eiser in conv] ook niet schadeplichtig jegens [gedaagde in conv] (op grond van artikel 6:74 BW). Daarmee ontvalt de grondslag aan de onvoorwaardelijke vordering van [gedaagde in conv] , zodat ook die vordering zal worden afgewezen.
Proceskosten
5.33.
[gedaagde in conv] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser in conv] worden begroot op:
- salaris advocaat
2.714,00
(2 punten × 0,5 x € 2.714,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.853,00

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
veroordeelt [gedaagde in conv] om aan [eiser in conv] te betalen een bedrag van € 231.678,95 binnen één week na de betekening van dit vonnis,
6.2.
veroordeelt [gedaagde in conv] om aan [eiser in conv] te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 231.678,95 vanaf 13 juni 2025 tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [gedaagde in conv] om aan [eiser in conv] te betalen een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke kosten,
6.4.
veroordeelt [gedaagde in conv] in de proceskosten van € 12.543,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde in conv] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.7.
wijst de vorderingen van [gedaagde in conv] af,
6.8.
veroordeelt [gedaagde in conv] in de proceskosten van € 2.853,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde in conv] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.9.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Olthof en in het openbaar uitgesproken op
15 oktober 2025.
1547 / 1787

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1599.