ECLI:NL:RBGEL:2025:8910

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
440595
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg van een overeenkomst van koop van bosbessen

In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 15 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen D.L.S. COMPANY SP. Z.O.O., een vennootschap naar Pools recht, en een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, hierna te noemen [gedaagde]. DLS vorderde schadevergoeding op grond van een overeenkomst van koop van bosbessen, waarbij zij stelde dat de gedaagde partij tekortgeschoten was in de nakoming van de overeenkomst. De rechtbank heeft in een tussenvonnis van 19 maart 2025 overwogen dat het Weens Koopverdrag mogelijk van toepassing zou zijn, maar partijen hebben in hun aktes aangegeven dat zij dit verdrag niet van toepassing achten. De rechtbank heeft daarom besloten het geschil te beoordelen op basis van het Nederlandse recht.

DLS stelde dat zij aan haar verplichtingen had voldaan door bosbessen te leveren zonder NOP-certificaat, en dat de gedaagde partij te laat had geklaagd. DLS was bereid om een nieuwe partij bosbessen te leveren die wel voorzien was van een NOP-certificaat, maar de gedaagde partij weigerde deze af te nemen. De rechtbank oordeelde dat de gedaagde partij niet gehouden was om de nieuwe partij bosbessen af te nemen, omdat DLS de overeenkomst niet correct had nageleefd en de gedaagde partij niet had ingestemd met de levering van een nieuwe partij na een aanzienlijke tijdsverloop.

De rechtbank heeft de vorderingen van DLS afgewezen en DLS veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van de gedaagde partij zijn begroot op € 6.102,00. Dit vonnis is openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/440595 / HA ZA 24-454
Vonnis van 15 oktober 2025
in de zaak van
de vennootschap naar Pools recht
D.L.S. COMPANY SP. Z.O.O.
gevestigd te Motycz (Polen)
eisende partij
hierna te noemen: DLS
advocaat: mr. M. Deckers
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde]
gevestigd te [vestigingsplaats]
gedaagde partij
hierna te noemen: [gedaagde]
advocaat: mr. P.R.C. Ballings

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 19 maart 2025,
- de tegelijkertijd genomen aktes van DLS en van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

Toepasselijk recht
2.1.
In het tussenvonnis van 19 maart 2025 heeft de rechtbank overwogen dat zij voornemens was het Weens Koopverdrag toe te passen. Partijen hadden zich echter niet uitgelaten over toepasselijkheid van het Weens Koopverdrag en de gevolgen daarvan voor deze zaak. Om een verrassingsbeslissing op dit punt te voorkomen, heeft de rechtbank partijen daarom in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.
2.2.
Partijen hebben vervolgens allebei een akte genomen. Daarin nemen zij allebei op verschillende gronden het standpunt in dat het Weens Koopverdrag niet van toepassing is. Zij wijzen er onder meer op dat toepasselijkheid van het Weens Koopverdrag zowel uitdrukkelijk als stilzwijgend kan worden uitgesloten. Zij menen dat zij dat in elk geval stilzwijgend hebben gedaan. [gedaagde] wijst er bovendien op dat toepasselijkheid van het Weens Koopverdrag ook kan worden uitgesloten tijdens een procedure.
2.3.
Tot en met de mondelinge behandeling heeft het Weens Koopverdrag in het debat tussen partijen geen rol gespeeld. De rechtbank leidt daaruit af dat partijen niet de intentie hebben gehad dat het Weens Koopverdrag van toepassing zou zijn op hun rechtsverhouding. In de beide aktes van na het tussenvonnis bevestigen zij dat zij die intentie niet hebben gehad en dat zij die intentie nog steeds niet hebben. Omdat partijen hebben gekozen voor de toepasselijkheid van Nederlands recht en zij het erover eens zijn dat zij daarmee niet het oog hebben gehad op het Weens Koopverdrag, zal de rechtbank het geschil beoordelen op basis van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek. [1]
De vordering tot schadevergoeding
2.4.
DLS licht haar vordering als volgt toe. Zij is niet met [gedaagde] overeengekomen dat de bosbessen die zij aan haar verkocht moesten zijn voorzien van een NOP-certificaat. Ook is er geen fatale leveringstermijn overeengekomen. DLS meent dat zij aan haar verplichting uit de overeenkomst heeft voldaan doordat zij in juli 2022 twee partijen bosbessen aan [gedaagde] heeft geleverd zonder NOP-certificaat. Bovendien heeft [gedaagde] te laat geklaagd over het ontbreken van een NOP-certificaat. Niettemin was DLS bereid om een nieuwe partij bosbessen te leveren die wel was voorzien van een NOP-certificaat. Zij stelt dat zij daarover een nadere afspraak met [gedaagde] heeft gemaakt. DLS verwijt [gedaagde] nu dat zij deze nieuwe partij bosbessen niet heeft willen afnemen. Daardoor is [gedaagde] volgens DLS tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Zij maakt aanspraak op vergoeding van schade die zij daardoor heeft geleden op grond van art. 5.9 van de algemene voorwaarden. Die moeten volgens DLS zo worden uitgelegd dat zij verkoper is en [gedaagde] koper, al staat in art. 1.1 dat onder verkoper [gedaagde] wordt verstaan.
2.5.
[gedaagde] brengt hier het volgende tegen in. Zij heeft bosbessen van DLS gekocht die moesten zijn voorzien van een NOP-certificaat. Zij had voor deze bosbessen een koper in de Verenigde Staten. Voor levering van bioproducten van buiten de Europese Unie (namelijk Oekraïne) in de Verenigde Staten is een NOP-certificaat vereist. Omdat DLS bosbessen aan [gedaagde] heeft geleverd zonder een NOP-certificaat, heeft DLS deze teruggenomen en de facturen die zij ervoor had gestuurd gecrediteerd. Als DLS had gewild dat zij onder de overeenkomst van 5 juli 2022 een nieuwe partij bosbessen zou mogen leveren zodra zij deze zou kunnen voorzien van een NOP-certificaat, dan had zij dat moeten bedingen. Dat heeft zij niet gedaan. [gedaagde] mocht er daarom op vertrouwen dat met het terugnemen van de bosbessen en het crediteren van de facturen de kwestie was afgehandeld. Het kan niet van haar worden verwacht dat zij maanden later alsnog bosbessen van DLS afneemt. [gedaagde] concludeert dat zij daartoe niet meer gehouden was en dat zij dus ook niet aansprakelijk is voor schade van DLS.
2.6.
De rechtbank overweegt hierover het volgende. Nadat het voor DLS duidelijk was geworden dat [gedaagde] geen genoegen nam met bosbessen zonder NOP-certificaat, heeft zij niet alleen de geleverde bosbessen teruggenomen en aan een derde verkocht, maar heeft zij ook de facturen gecrediteerd die zij voorafgaande aan de levering van deze bosbessen aan [gedaagde] had gestuurd. Omdat in de overeenkomst van 5 juli 2022 staat dat de bosbessen in juli 2022 zouden moeten worden geleverd, moest het voor DLS duidelijk zijn dat [gedaagde] niet heeft bedoeld bosbessen van haar te kopen die zij weken of zelfs maanden later dan juli 2022 zou kunnen leveren, en dat zij de overeenkomst dus niet meer kon nakomen door na verloop van zoveel tijd bosbessen te leveren. Nadat DLS de aanvankelijk gestuurde facturen had gecrediteerd, heeft zij geen nieuwe factuur meer gestuurd. [gedaagde] mocht er onder deze omstandigheden van uitgaan dat er uit de overeenkomst van 5 juli 2022 voor haar geen verplichtingen meer voortvloeiden. DLS heeft dat ook zo moeten begrijpen.
2.7.
Dit oordeel wordt niet anders doordat DLS in een e-mailbericht van 16 augustus 2022 heeft aangeboden later een nieuwe partij bosbessen te leveren die wel was voorzien van een NOP-certificaat. Uit de feiten die DLS stelt, kan immers niet worden afgeleid dat [gedaagde] ermee heeft ingestemd dat DLS dat onder de overeenkomst van 5 juli 2022 zou doen. Het tegendeel is het geval. In haar reactie op het e-mailbericht van DLS van eveneens 16 augustus 2022 heeft [gedaagde] immers niet verklaard dat zij daarmee instemde, maar kenbaar gemaakt dat DLS zich onvoldoende realiseerde wat er nodig is om de verlangde NOP-certificering te verkrijgen.
2.8.
Het oordeel wordt ook niet anders doordat DLS in haar e-mailbericht van 19 augustus 2022 heeft opgenomen ‘As agreed, we need to replace you with the blueberries due to NOP certification’. Het is immers niet meer dan een eenzijdige verklaring van DLS dat dit was ‘agreed’. De omstandigheid dat [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd, is niet voldoende om te kunnen aannemen dat zij ermee instemde dat DLS een nieuwe partij bosbessen zou leveren onder de overeenkomst van 5 juli 2022. Bovendien heeft [gedaagde] ook niet gereageerd op herhaalde vragen van DLS in september en oktober of zij ( [gedaagde] ) wilde bevestigen dat DLS de nieuwe partij kon leveren. Ook dat wijst erop dat [gedaagde] daarmee niet instemde, zoals zij DLS op 20 oktober 2022 ook met zoveel woorden heeft bericht. Overige feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen blijken dat partijen hebben afgesproken dat DLS alsnog een partij bosbessen zou mogen leveren onder de overeenkomst van 5 juli 2022 zijn niet gesteld.
2.9.
De conclusie is dat [gedaagde] niet op grond van de overeenkomst van 5 juli 2022 en ook niet op enige andere grond gehouden was om de nieuwe partij bosbessen af te nemen. Zij is dus niet tekortgeschoten door dat niet te doen. Daarom is zij ook niet aansprakelijk voor de schade waarvan DLS vergoeding vordert. De vorderingen van DLS zullen daarom worden afgewezen.
Proceskosten
2.10.
DLS zal in het ongelijk worden gesteld. Zij zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten, inclusief nakosten. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op:
- griffierecht
2.889,00
- salaris advocaat
3.035,00
(2,5 punten × € 1.214,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
6.102,00

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
wijst de vorderingen van DLS af,
3.2.
veroordeelt DLS in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 6.102,00, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening als DLS niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Olthof en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.
1547 / 560

Voetnoten

1.Zie tussenvonnis 19 maart 2025 rov. 5.5