ECLI:NL:RBGEL:2025:9526

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
445998
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontbinding van overeenkomst en betaling van facturen in het kader van softwarelevering

In deze zaak vordert [eiseres in conv], een onderneming in de sierteelt, een verklaring voor recht dat de overeenkomst met [gedaagde in conv], een IT-bedrijf, rechtsgeldig is ontbonden. De vordering is gebaseerd op de stelling dat [gedaagde in conv] tekort is geschoten in de oplevering van een softwaresysteem. De partijen hebben op 26 september 2023 een overeenkomst gesloten voor de levering van verschillende modules van een softwaresysteem. [eiseres in conv] heeft de eerste factuur voldaan, maar de tweede factuur, die betrekking heeft op de oplevering van de modules, is niet betaald omdat [eiseres in conv] stelt dat de modules niet goed en tijdig zijn opgeleverd. [gedaagde in conv] betwist deze tekortkomingen en heeft de toegang tot het systeem ontzegd wegens het niet betalen van de factuur. De rechtbank oordeelt dat [eiseres in conv] onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake was van tekortkomingen aan de zijde van [gedaagde in conv]. Hierdoor was [eiseres in conv] niet gerechtigd om de betaling van de factuur op te schorten. De rechtbank wijst de vorderingen in conventie af en kent de vorderingen in reconventie grotendeels toe, waarbij [eiseres in conv] wordt veroordeeld tot betaling van de openstaande facturen en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/445998 / HA ZA 25-12
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van
[eiseres in conv],
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres in conv] ,
advocaat: mr. J.M. van Eenennaam,
tegen
[gedaagde in conv],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde in conv] ,
advocaat: mr. M. Sakarya.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 14 mei 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 oktober 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres in conv] is een onderneming op het gebied van sierteelt. [gedaagde in conv] is een IT-bedrijf dat softwaresystemen aanbiedt voor de sierteelt. Tot het najaar van 2023 hield [eiseres in conv] haar voorraad en planning voornamelijk handmatig in losse Excel bestanden bij. Voor de transitie naar het gebruik van een softwaresysteem voor het gehele werkproces heeft zij gebruik gemaakt van een externe projectleider, [naam 1] van [bedrijf 1] (nu [bedrijf 1] ). [naam 1] heeft [eiseres in conv] en [gedaagde in conv] aan elkaar voorgesteld. Partijen hebben op 26 september 2023 een overeenkomst gesloten, waarbij [gedaagde in conv] de opdracht heeft aangenomen om een softwaresysteem te leveren aan [eiseres in conv] . Volgens de opdrachtbevestiging [1] bestond de opdracht uit het leveren van de modules jaarplanning, interne teeltplanning, rapportage- en etikettenmodule en de veredelingsmodule (ook wel werkordermodule genoemd). Daarnaast staan in de opdrachtbevestiging maandelijkse kosten benoemd, verdeeld in kosten voor het hosten van de applicatie, voor service, onderhoud en helpdesk en tot slot licentiekosten.
Over de betaling voor de opdracht staat in de opdrachtbevestiging dat 50% van de modules wordt voldaan bij aanvang en de andere 50% zodra de module is opgeleverd. [eiseres in conv] heeft de eerste factuur [2] van 27 september 2023 ten bedrage van € 15.405,72 voldaan. De tweede factuur [3] van 22 januari 2024 ten bedrage van € 11.693,44, die ziet op de oplevering van de vier modules en op de licentiekosten, heeft [eiseres in conv] niet betaald.
2.2.
[eiseres in conv] stelt dat zij deze tweede factuur voor de oplevering van de modules niet heeft betaald, omdat geen van de modules goed en tijdig door [gedaagde in conv] is opgeleverd. [gedaagde in conv] betwist dat en stelt dat de modules jaarplanning, teeltplanning en de rapportage- en etikettenmodule volwaardig zijn opgeleverd. Omdat de veredelingsmodule nog niet helemaal af was, heeft [gedaagde in conv] voor de kosten van die module op 26 april 2024 een creditfactuur gestuurd. Omdat [eiseres in conv] de factuur voor het overige geheel onbetaald liet, heeft [gedaagde in conv] eind april/begin mei 2024 (partijen zijn het niet eens over het exacte moment) [eiseres in conv] de toegang tot het softwaresysteem ontzegd.
2.3.
[eiseres in conv] vordert een verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen [eiseres in conv] en [gedaagde in conv] op 27 april 2024, het moment waarop volgens haar door [gedaagde in conv] de toegang tot het systeem is ontzegd, rechtsgeldig is ontbonden. Daaraan gekoppeld vordert [eiseres in conv] om [gedaagde in conv] te veroordelen tot terugbetaling van de factuur die reeds betaald is. Daarnaast vordert [eiseres in conv] een verklaring voor recht dat [gedaagde in conv] aansprakelijk is voor alle schade die [eiseres in conv] heeft geleden of nog zal lijden als gevolg van de ontzegging van de toegang tot het softwaresysteem. Als voorschot op deze schadevergoeding vordert [eiseres in conv] een bedrag van € 174.674,-, dat onder meer ziet op de inzet van extra personeel en gederfde winst.
2.4.
[gedaagde in conv] betwist dat sprake is van tekortkomingen in de levering van de modules en stelt dat [eiseres in conv] om die reden niet gerechtigd was om de betaling van de factuur voor de oplevering van de modules op te schorten. Omdat [eiseres in conv] door het niet betalen in verzuim is geraakt, was [gedaagde in conv] gerechtigd haar eigen prestatie op te schorten en aldus op 4 mei 2024, volgens haar de juiste datum, [eiseres in conv] de toegang tot het softwaresysteem te ontzeggen. Daarom moeten de vorderingen in conventie volgens [eiseres in conv] moeten worden afgewezen. In reconventie vordert [gedaagde in conv] nakoming van de betalingsverplichtingen door [eiseres in conv] .
2.5.
De rechtbank komt tot het oordeel dat [eiseres in conv] , in het licht van de uitgebreide betwisting door [gedaagde in conv] , onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde in conv] bij de levering van de modules tekort is geschoten. Om die reden was [eiseres in conv] niet gerechtigd de betaling van de factuur voor de oplevering van de modules op te schorten. Door het niet betalen van die factuur, is [eiseres in conv] zelf tekort geschoten in de nakoming van de op haar rustende betalingsverplichting. [gedaagde in conv] mocht daarom vanaf de vervaldatum van de factuur haar eigen verplichting tot het leveren van de toegang tot het softwaresysteem opschorten. Gezien de omstandigheden, waar hierna op in zal worden gegaan, was deze opschorting ook proportioneel. Dat betekent dat de vorderingen in conventie worden afgewezen en de vorderingen in reconventie tot nakoming van de overeenkomst door [eiseres in conv] grotendeels voor toewijzing gereed liggen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze beslissingen is gekomen.

3.De beoordeling

3.1.
Omdat de vorderingen over en weer betrekking hebben op dezelfde kernvraag, namelijk of [gedaagde in conv] tekort is geschoten bij de oplevering van de modules, zullen deze gezamenlijk worden beoordeeld.
Geen tekortkoming door [gedaagde in conv] bij de oplevering van de modules
Modules op tijd opgeleverd
3.2.
[eiseres in conv] heeft gesteld dat [gedaagde in conv] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, omdat de modules op maat niet op tijd klaar waren, althans niet naar behoren werkten. Zij heeft daarom op 23 oktober 2023 een mail [4] gestuurd aan [gedaagde in conv] . [eiseres in conv] stelt dat zij daarin aangeeft dat geen van de vijf modules is opgeleverd. Op 22 januari 2024 krijgt [eiseres in conv] tot haar verbazing een factuur voor de tweede 50% van de vier modules. Zij betaalt deze niet, omdat de modules volgens haar niet af zijn. In week 6 van 2024 levert [gedaagde in conv] wederom niet volgens planning, geen van de vijf modules is af, aldus [eiseres in conv] .
3.3.
[gedaagde in conv] heeft dit betwist en stelt zich op het standpunt dat de modules wel op tijd door haar zijn opgeleverd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij [eiseres in conv] op 9 oktober 2023 toegang heeft verschaft tot de modules jaarplanning, interne teeltplanning en rapportage en etikettenmodule. [gedaagde in conv] heeft desgevraagd ter zitting toegelicht dat de oplevering van de modules in twee stappen is verlopen. Eerst leverde [gedaagde in conv] aan [eiseres in conv] toegang tot het softwaresysteem waarin de modules staan. Daarbij heeft zij erop gewezen dat de modules jaarplanning, teeltplanning en de rapportage- en etikettenmodule standaardmodules waren, die [gedaagde in conv] al ter beschikking had voordat zij de opdracht van [eiseres in conv] aannam. Voor [eiseres in conv] zijn daar slechts enkele aanpassingen voor gedaan, zoals bijvoorbeeld het toevoegen van ‘trays’ in plaats van ‘potten’. Na het verschaffen van toegang tot het softwaresysteem, voerde [gedaagde in conv] de gegevens die zij van [eiseres in conv] kreeg in de modules in. Ter onderbouwing daarvan heeft [gedaagde in conv] screenshots ingebracht waaruit volgt dat er data zijn ingevoerd in de modules [5] . In de toelichting bij deze screenshots staat onder meer dat er 896 plantenrassen zijn aangemaakt, de eerste op 9 oktober 2023, en dat er 918 teeltschema’s zijn aangemaakt, de eerste op 17 oktober 2023. Op het moment dat alle gegevens waren ingevoerd, waren de modules volgens [gedaagde in conv] gereed voor gebruik. Ter onderbouwing hiervan heeft [gedaagde in conv] gewezen op de mail van haar CEO [naam 2] van 28 december 2023 [6] . Daarin staat beschreven welke modules gereed zijn (relaties, plantsoorten, potmaten, artikelen, jaarplanning, werkorders, printrobot, fustregistratie en teeltplanning). Daarnaast staat dat er nog wordt gewerkt aan de orderverwerkingsmodule. Ook staat in de mail:
Alleen de veredelingsmodule (ook wel werkorder en orderverwerkingsmodule genoemd) zou specifiek voor [eiseres in conv] worden gebouwd, waarna [gedaagde in conv] deze later ook weer voor andere bedrijven zou kunnen gebruiken.
3.4.
Uit de stukken die [eiseres in conv] in het geding heeft gebracht, blijkt niet concreet waarin [gedaagde in conv] in de oplevering van de modules tekort is geschoten. Ter zitting heeft [eiseres in conv] op de vraag wat er niet goed was aan de modules geantwoord dat de modules tegen elkaar in werkten, dat zij geen data kon invoeren en dat er verkeerde berekeningen uit kwamen. Er zaten veel fouten in het systeem, aldus [eiseres in conv] . Gevraagd naar een concretisering en een onderbouwing hiervan, is verwezen naar de verklaring van [naam 3] [7] , medewerkster van [eiseres in conv] , de gespreksverslagen en producties 36 en 37.
3.5.
De rechtbank constateert dat de producties 36 en 37 schriftelijke getuigenverklaringen bevatten die gaan over het ontzeggen van de toegang tot het systeem eind april 2024. Deze kunnen dus niet dienen ter onderbouwing van de gestelde tekortkomingen in de levering van de modules begin 2024. De stelling van [eiseres in conv] dat er geen data konden worden ingevoerd, wordt nadrukkelijk weersproken door de onderbouwde stellingen van [gedaagde in conv] waaruit volgt dat er in de periode van oktober 2023 tot april 2024 data zijn ingevoerd. Uit de verklaring van [naam 3] kan worden opgemaakt dat zich geregeld problemen voordeden in het systeem waarover contact werd gezocht met [gedaagde in conv] . Hieruit volgen echter evenmin concrete tekortkomingen aan de zijde van [gedaagde in conv] . [gedaagde in conv] heeft over deze meldingen door [naam 3] ter zitting toegelicht dat deze gingen over verbeteringen om het systeem voor de gebruiker makkelijker te maken. Bijvoorbeeld dat er veel handmatig in het systeem moest worden ingevoerd, waarop [eiseres in conv] vroeg of dat niet met één druk op de knop kon. Aan de hand van zo’n vraag voerde [gedaagde in conv] dat in het systeem in.
3.6.
De rechtbank concludeert dat [eiseres in conv] haar stelling dat [gedaagde in conv] tekort is geschoten bij de oplevering van de modules, welke stelling door [gedaagde in conv] gemotiveerd is betwist, niet concreet en voldoende heeft onderbouwd, zodat de tekortkoming aan de zijde van [gedaagde in conv] niet is komen vast te staan.
[gedaagde in conv] is ook niet tekort geschoten in service en onderhoudsverplichtingen
3.7.
[eiseres in conv] heeft verder gesteld dat [gedaagde in conv] niet heeft voldaan aan de service- en onderhoudsverplichtingen die zij in de overeenkomst hebben afgesproken. [eiseres in conv] voert ter onderbouwing aan dat [gedaagde in conv] volgens de overeenkomst gehouden is om binnen een halve werkdag te reageren. In plaats daarvan was [gedaagde in conv] slecht bereikbaar. [naam 2] bleek vaak op reis, technische ondersteuning werd steeds niet binnen een halve werkdag geboden, maar vaak helemaal niet.
3.8.
Het is aan [eiseres in conv] om deze stellingen concreet te maken en te onderbouwen. Een verwijzing naar communicatie en overzichten over technische problemen met de etikettenprinter [8] , waaruit de rechtbank vervolgens moet gaan destilleren waar en wanneer door [gedaagde in conv] niet aan de overeenkomst is gehouden, is daartoe onvoldoende. Bovendien betreffen deze stukken, met uitzondering van de WhatsApp-communicatie met [gedaagde in conv] in productie 27, interne aantekeningen of communicatie van [eiseres in conv] met onder meer [naam 1] , waarvan [gedaagde in conv] heeft aangevoerd hier niet allemaal van op de hoogte te zijn gesteld. Naast de conclusie dat [eiseres in conv] haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd, geldt dat [gedaagde in conv] onbetwist naar voren heeft gebracht dat zij voor deze tekortkoming nooit in gebreke is gesteld. Van verzuim kan dan geen sprake zijn. Ook om die reden kan deze gestelde tekortkoming in de service- en onderhoudsverplichting geen grond vormen voor een ontbinding van de overeenkomst.
[gedaagde in conv] gerechtigd tot opschorting door aan [eiseres in conv] de toegang tot de applicatie te ontzeggen
3.9.
Omdat niet is komen vast te staan dat [gedaagde in conv] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en [eiseres in conv] niet gerechtigd was om tot ontbinding van de overeenkomst over te gaan, was [eiseres in conv] gehouden om de factuur van 22 januari 2024 ten bedrage van € 11.693,44 te betalen. Vast staat dat [eiseres in conv] deze factuur niet heeft betaald. Dat betekent dat [gedaagde in conv] op 30 januari 2014 een opeisbaar recht had op betaling van deze factuur en op dat moment voor [gedaagde in conv] het recht tot opschorting van haar verplichtingen ontstond. Zij heeft dat gedaan door eind april dan wel begin mei 2024 [eiseres in conv] de toegang tot de applicatie te ontzeggen. De rechtbank concludeert dat deze opschorting proportioneel is op grond van de specifieke omstandigheden in deze zaak en legt hierna uit waarom.
3.10.
Nadat [eiseres in conv] de factuur weigerde te betalen, zijn er verschillende gesprekken tussen partijen gevoerd, al dan niet met tussenkomst van [naam 1] . [gedaagde in conv] heeft ter zitting onbetwist gesteld dat zij in deze gesprekken eind maart 2024 heeft aangekondigd dat, mocht [eiseres in conv] blijven weigeren de factuur te betalen, [gedaagde in conv] uiteindelijk de toegang tot het softwaresysteem aan [eiseres in conv] zou ontzeggen. Door te blijven weigeren om te betalen in de wetenschap van het risico op ontzegging van de toegang tot het systeem, heeft [eiseres in conv] zelf een risico genomen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat [eiseres in conv] niet alleen niet heeft betaald voor de modules, maar vanaf februari 2024 ook niet meer heeft betaald voor de hosting en de licentiekosten, terwijl [eiseres in conv] in de maanden februari, maart en april 2024 wel toegang tot het systeem had. Verder weegt de rechtbank mee dat [gedaagde in conv] de nadelige gevolgen voor de bedrijfsvoering voor [eiseres in conv] zoveel mogelijk heeft proberen te ondervangen doordat zij, op het moment dat zij de toegang tot het systeem aan [eiseres in conv] heeft ontzegd, alle ingevoerde data per mail aan [eiseres in conv] ter beschikking gesteld. Door het afsluiten van de toegang tot het systeem en de terbeschikkingstelling van de gegevens, waarna [eiseres in conv] met die gegevens opnieuw aan de slag moest om alle werkprocessen op tijd op orde te krijgen, ligt het voor de hand dat [eiseres in conv] extra werk en kosten heeft gehad. Het is echter niet gebleken dat sprake was van volledige stillegging van het bedrijf, zoals wel het geval was in de voorbeelden in de jurisprudentie waar [eiseres in conv] in de dagvaarding naar heeft verwezen. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat het softwaresysteem in de gegeven omstandigheden voor de bedrijfsvoering van [eiseres in conv] zo wezenlijk was dat [gedaagde in conv] niet tot opschorting mocht overgaan. [9]
Vorderingen in conventie worden afgewezen
3.11.
Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde in conv] in de nakoming van meerdere verplichtingen uit de overeenkomst tekort is geschoten. Dat betekent dat [eiseres in conv] niet bevoegd was de overeenkomst te ontbinden en dat er dus ook geen grond is om tot ontbinding van de overeenkomst over te gaan. Alle vorderingen in conventie worden afgewezen.
Vorderingen in reconventie worden grotendeels toegewezen
3.12.
Omdat de overeenkomst niet is ontbonden, zal de vordering van [gedaagde in conv] tot nakoming van de overeenkomst door [eiseres in conv] worden toegewezen. [gedaagde in conv] heeft immers tot het moment van opschorting voldaan aan haar verplichtingen uit de overeenkomst. Dat nu geen toegang meer is tot het softwaresysteem is een gevolg van die opschorting. Op het moment dat de factuur betaald had moeten worden, kon er volledig gebruik van worden gemaakt.
3.13.
Naast betaling van de factuur van 22 januari 2024 vordert [gedaagde in conv] betaling van facturen voor de licentie- en de hostingkosten. Na eisvermeerdering geldt dat voor de facturen die zien op de periode van 1 maart 2024 tot en met 2 september 2025. [eiseres in conv] heeft in de periode van mei 2024 tot op heden weliswaar geen toegang tot het systeem gehad, toch zal zij worden veroordeeld tot betaling van de licentie- en hostingkosten over die maanden. Uitgangspunt is dat, nu er geen sprake was van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde in conv] , [eiseres in conv] haar verplichtingen uit de overeenkomst moet nakomen, ook in de periode dat [gedaagde in conv] haar prestaties rechtmatig heeft opgeschort. Was [eiseres in conv] immers tot betaling van de factuur van 22 januari 2024 overgegaan, dan had [gedaagde in conv] de verplichting gehad om [eiseres in conv] weer toegang te verlenen tot het softwaresysteem. Onder de verplichtingen van [eiseres in conv] vallen zoals onder 2.1 is opgenomen ook de betaling van de maandelijkse kosten voor de hosting en licentiekosten. [eiseres in conv] heeft aangevoerd dat uit de factuur die [gedaagde in conv] heeft overgelegd van de kosten die [gedaagde in conv] aan [bedrijf 2] (licentiehouder) heeft betaald, niet blijkt dat hier kosten voor de licenties van [eiseres in conv] onder vallen. [gedaagde in conv] heeft hierover ter zitting naar voren gebracht dat zij per jaar een factuur krijgt van en betaalt aan [bedrijf 2] , waarvoor zij 50 licenties mag uitgeven. Zij verdeelt deze kosten vervolgens over de klanten, evenredig naar het aantal licenties dat deze klant gebruikt. De rechtbank constateert dat de hoogte van het bedrag van de factuur van [bedrijf 2] goed aansluit bij deze stelling [gedaagde in conv] . Dat betekent dat [gedaagde in conv] , doordat [eiseres in conv] al die maanden geen licentiekosten heeft betaald, het bedrag dat zij aan [bedrijf 2] heeft betaald, over een klant minder heeft kunnen verdelen. In dat licht bezien, is de rechtbank van oordeel dat het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiseres in conv] ook voor de maanden na de ontzegging van de toegang tot het softwaresysteem gehouden is haar betalingsverplichting voor de licentiekosten op grond van de overeenkomst na te komen. Tot slot kan de stelling van [eiseres in conv] dat de facturen van na de ontbinding van de overeenkomst zijn en zij daarom niet verplicht is deze te betalen haar ook niet baten. Er is immers geen sprake van een rechtsgeldige ontbinding, zoals in conventie is geoordeeld.
3.14.
[gedaagde in conv] heeft ook betaling van een factuur van 4 december 2024 [10] ten bedrage van € 3.872,00 gevorderd. De rechtbank constateert dat in de omschrijving van deze factuur staat “implementatiekosten van de onderdelen Jaarplanning, interne teeltplanning, Rapportage-/etikettenmodule en veredelingsmodule”. [gedaagde in conv] heeft niet onderbouwd dat [eiseres in conv] , naast de reeds betaalde factuur van 27 september 2023 en de nog te betalen factuur van 22 januari 2024 waarin telkens 50% voor de modules in rekening wordt gebracht, nog meer kosten voor deze modules verschuldigd zou zijn. Deze kosten volgen ook niet uit de opdrachtbevestiging van 26 september 2023. De vordering in reconventie wordt voor deze factuur dan ook afgewezen.
3.15.
Concluderend komt de rechtbank tot het oordeel dat [eiseres in conv] zal worden veroordeeld om aan [gedaagde in conv] te betalen een bedrag van € 21.832,03. Dit bedrag bestaat uit de factuur van 22 januari 2024 ten bedrage van € 11.693,44 en 19 facturen van € 533,61 in de periode 1 maart 2024 tot en met 1 september 2025, in totaal een bedrag van € 10.138,59.
Proceskosten
3.16.
[eiseres in conv] is in het ongelijk gesteld in conventie en in reconventie en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde in conv] worden begroot op:
op:
  • griffierecht € 6.861,00
  • salaris advocaat in conventie € 3.858,00 (2 punten x € 1.929,00)
  • salaris advocaat in reconventie € 786,00 (2 x 0,5 punt x € 786,00)
  • nakosten € 278,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal
€ 11.783,00

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1.
wijst de vorderingen van [eiseres in conv] af,
in reconventie
4.2.
veroordeelt [eiseres in conv] om aan [gedaagde in conv] te betalen een bedrag van € 21.832,03, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van iedere factuur, met ingang van de vervaldatum per factuur, tot de dag van volledige betaling,
in conventie en in reconventie
4.3.
veroordeelt [eiseres in conv] in de proceskosten in conventie en in reconventie van € 11.783,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres in conv] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Keijzer en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.
822

Voetnoten

1.Productie 1 bij de dagvaarding
2.Productie 5 bij de dagvaarding
3.Productie 7 bij de dagvaarding
4.Productie 21 bij de dagvaarding.
5.Productie 1 bij de conclusie van antwoord
6.Onderdeel van productie 22 bij de dagvaarding
7.Productie 28 bij de dagvaarding
8.Productie 25 t/m 28 bij de dagvaarding
9.Zoals wel is geoordeeld in de zaak waar in de dagvaarding naar is verwezen, ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ5559
10.Onderdeel van productie 6 bij conclusie van antwoord